Passage opvragen   Tekst zoeken  
Passage:
Bijvoorbeeld:
  • Genesis
  • Gen
  • Gen 1
  • Gen 1:10
  • Gen 1:1-10
Woord(en):
Bijvoorbeeld:
  • evangelie
  • "groot en machtig"
  • koning*
Zoeken in:
Bijbelboeken selecteren...
Bijbelversie(s):
Andere bijbelversie(s) weergeven:
De Nieuwe Bijbelvertaling [NBV]
Statenvertaling (Jongbloed-editie) [SV-J]
NBG-vertaling 1951 [NBG51]
Willibrordvertaling 1995 [WV95]
Groot Nieuws Bijbel 1996 [GNB96]
Meer (Nederlands)...
Statenvertaling 1637[SV1637]
Statenvertaling editie 1977[SV1977]
Meer (buitenlands)...
Engels...
King James Version, 1611 [KJV]
American Standard Version, 1901 [ASV]
Good News Bible, 1992 [GNB]
Contemporary English Version, 1999 [CEV]
World English Bible, 2002 [WEB]
Frans...
Louis Segond, 1910 [SEG]
Duits...
Luthervertaling, 1545 [L45]
Spaans...
Reina-Valera Revisada, 1995 [RVR95]
Noten bij RVR 1995 [RVR95n]
Dios Habla Hoy, 2002 [DHH]
Noten bij DHH 2002 [DHHn]
Catalaans...
Biblia Catalana Interconfessional, 1993 [BCI]
Kroatisch...
Kroatische bijbel (KS), 1994 [HKS]
Latijn...
Vulgata, 4e-5e eeuw (gereconstrueerd) [VUL]
Vulgata Clementina, 1592 [VLC]
Roemeens...
Biblia Cornilescu, 1921 [RCB]
Russisch...
Russische Synodale Vertaling, 1876 [RUS]
Sloveens...
Dalmatin-bijbel 1584 (gedeeltelijk) [DAL]
Chraska-vertaling 1914 [CHR]
Oecumenische Editie 1974 [EKU]
Jubilee New Testament + Psalms 1984 [JUB]
Sloveense Standaardvertaling 1997 [SSP]
Studie-voetnoten bij SSP 1997 [SSP-Op]
Tekstverwijzingen bij SSP 1997 [SSP-Ref]
Sloveense Standaardvertaling 2006 [SSP3]

Deuteronomium 32

Deuteronomium :1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34


32
‘Leen mij uw oor, hemel, nu ik ga spreken,
luister, aarde, naar wat ik zeggen zal.
Het lied van Mozes
32
Neigt uw oor, gij hemelen, dan wil ik spreken,
en de aarde hore naar de woorden van mijn mond.
32
1 Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.
Het lied van Mozes
32
1 ‘Hoor, hemelen, wat ik ga zeggen,
luister, aarde, naar de woorden van mijn mond.
Moge mijn onderricht neerdalen als regen,
mogen mijn woorden zijn als milde dauw,
als regen die de grond doordrenkt,
lenteregen die het groen in bloei zet.
Mijn leer druipe als regen,
mijn rede druppele als dauw,
als regenbuien op het jonge groen,
en als regenstromen op het kruid;
2 Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid.
2 Mijn boodschap zal zijn als stromende regen,
mijn leer als de druppende dauw,
als fijne regen op gras, als dauw op opkomend gras.
Want de naam van de HEER roep ik uit:
de HEER is onze God, laat iedereen hem prijzen!
want ik zal de naam des Heren uitroepen;
geeft grootheid onze God,
3 Want ik zal den Naam des HEEREN uitroepen; geeft onzen God grootheid!
3 De naam van de HEER roep ik uit: breng eer aan onze God!
Hij is een rots, hij staat voor recht;
alles wat hij doet is volmaakt.
Trouw is God, rechtvaardig en zuiver,
in hem is geen spoor van kwaad.
de Rots, wiens werk volkomen is,
omdat al zijn wegen recht zijn;
een God van trouw, zonder onrecht,
rechtvaardig en waarachtig is Hij.
4 Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij.
4 Hij is de rots, wat Hij doet is volmaakt, al zijn wegen zijn recht;
een God van trouw, zonder onrecht, rechtvaardig is Hij en waarachtig.
Maar zijn kinderen werden hem ontrouw:
tot hun schande gaven zij hun kindschap op.
Vals en trouweloos is dit volk.
Verderfelijk hebben tegen Hem gehandeld,
die zijn zonen niet zijn, maar een schandvlek,
een verkeerd en vals geslacht.
5 Hij heeft het tegen Hem verdorven; het zijn Zijn kinderen niet; de schandvlek is hun; het is een verkeerd en verdraaid geslacht.
5 Zij vervielen in zonde, en zijn niet zijn zonen,
maar een onbetrouwbare, verdorven generatie.
Is dit uw antwoord aan de HEER?
Hoe komt u zo dwaas? Waar is uw verstand?
Is hij niet uw vader, uw schepper?
Hij heeft u gemaakt, hij riep u tot leven.
Vergeldt gij op deze wijze de HERE,
gij dwaas en onwijs volk?
Is Hij niet uw Vader, die u geschapen heeft,
die u gemaakt heeft en toebereid?
6 Zult gij dit den HEERE vergelden, gij, dwaas en onwijs volk! Is Hij niet uw Vader, Die u verkregen, Die u gemaakt en u bevestigd heeft?
6 Is dat uw dank aan de HEER, dwaas, onnozel volk?
Hij is toch uw Vader, Hij heeft u verwekt, Hij heeft u gemaakt en het leven gegeven.
Denk aan de tijden van weleer,
verdiep u in het verre verleden.
Vraag uw vader ernaar, hij zal het vertellen;
vraag de oudsten en zij zullen verhalen.

Gedenk aan de dagen van weleer
let op de jaren van geslacht na geslacht;
vraag uw vader, dat hij het u meedele,
uw oudsten, dat zij het u zeggen.
7 Gedenk aan de dagen van ouds; merk op de jaren van elk geslacht; vraag uw vader, die zal het u bekend maken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen.
7 Denk aan de dagen van vroeger, herinner u de tijd van voorbije generaties.
Vraag het uw vader, hij zal het u vertellen, vraag het uw oudsten, zij zeggen het u:

Toen de Allerhoogste land toewees aan elk volk
en de mensen ieder hun deel gaf,
bepaalde hij de grenzen voor alle volken
naar het aantal nazaten van Israël,
(32:8) naar het aantal nazaten van Israël – Een Qumran-handschrift en de Septuaginta lezen: ‘naar het aantal van de zonen van God’.
Toen de Allerhoogste aan de volken hun erfenis toedeelde,
toen Hij de mensenkinderen van elkander scheidde,
heeft Hij de grenzen der volken vastgesteld
naar het aantal der zonen van Israël.
8 Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen vaneen scheidde, heeft Hij de landpalen der volken gesteld naar het getal der kinderen Israëls.
8 Toen de Allerhoogste bezit toewees aan de volken en Hij de mensen ieder hun deel gaf,
heeft Hij de grenzen van de volken bepaald naar het getal van Gods zonen.
want voor de HEER gold dat volk als het zijne,
Jakob was het deel dat hij zichzelf toemat.
Want des HEREN deel is zijn volk,
Jakob het Hem toegemeten erfdeel.
9 Want des HEEREN deel is Zijn volk, Jakob is het snoer Zijner erve.
9 Het deel van de HEER was zijn volk, Jakob het land dat Hem ten deel viel.
10 Hij vond het in een dorre woestijn,
in een niemandsland vol van gevaar.
Hij omringde het met zorg en met liefde,
koesterde het als zijn oogappel.
10 Hij vond hem in een land van steppen,
in een woest land van gehuil in de wildernis.
Hij beschutte hem, lette op hem,
bewaarde hem als zijn oogappel.
10 Hij vond hem in een land der woestijn, en in een woeste huilende wildernis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als Zijn oogappel.
10 Hij vond het in de woestijn, in de wildernis, dat oord vol gehuil.
Hij heeft het verzorgd en bewaakt, het behoed als de appel van zijn oog,
11 Zoals een arend over zijn jongen waakt
en voortdurend erboven blijft zweven,
zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt,
11 Als een arend, die zijn broedsel opwekt,
over zijn jongen zweeft,
zijn wieken uitspreidt, er een opneemt
en draagt op zijn vlerken,
11 Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken;
11 als een arend die waakt over haar jongen en boven hen heen en weer vliegt,
haar vleugels uitspreidt, en hen opneemt en draagt op haar wieken.
12 zo heeft de HEER zijn volk geleid,
hij alleen: geen andere god stond hem bij.
12 zo heeft hem de HERE alleen geleid,
en geen vreemde god stond hem terzijde.
12 Zo leidde hem de HEERE alleen, en er was geen vreemd god met hem.
12 Alleen de HEER heeft zijn volk geleid, geen vreemde god stond naast Hem.
13 Hij legde het bergland voor hen open,
de oogst van het land viel hun in de schoot.
Hij laafde hen met honing uit de rotsen,
met olijfolie uit steenharde rots,
13 Hij deed hem rijden over de hoogten der aarde,
en eten de opbrengst van het veld;
Hij deed hem honig zuigen uit de rots,
en olie uit het keihard gesteente.
13 Hij deed hem rijden op de hoogten der aarde, dat hij at de inkomsten des velds; en Hij deed hem honig zuigen uit de steenrots, en olie uit den kei der rots;
13 Hij voerde hen naar de hoogten van het land, de oogst van het veld gaf Hij hun te eten.
Met honing uit de rotsen voedde Hij hen, met olie uit keihard gesteente,
14 met melk van koeien en geiten,
met vlees van Basans rammen,
met vet van lammeren en bokken,
met de fijnste bloem van tarwe
en met wijn, het bloed van druiven.
14 Boter van runderen en melk van kleinvee,
met vet van lammeren;
en rammen van Basan en bokken,
met het vetste der tarwe;
en druivebloed dronkt gij, schuimende wijn.
14 Boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet der lammeren en der rammen, die in Bazan weiden, en der bokken, met het vette der nieren van tarwe; en het druivenbloed, reinen wijn, hebt gij gedronken.
14 met boter van koeien en melk van schapen, met vette lammeren,
rammen en bokken uit Basan, met de fijnste bloem van de tarwe,
en wijn uit het bloed van druiven.
15 Toen werd Jesurun
(32:15) Jesurun – Jesurun is een andere naam voor Israël.
vadsig en vet,
het raakte verzadigd, werd dik en rond.
Het kwam in verzet, liep weg van zijn schepper,
versmaadde zijn stut en steun, zijn rots.

15 Toen werd Jesurun vet, en sloeg achteruit
– vet werd gij, dik en vet gemest –
en hij verwierp God, die hem gemaakt had,
hij minachtte de Rots van zijn heil.
15 Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit (gij zijt vet, gij zijt dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde den Rotssteen zijns heils.
15 En Jakob at en raakte verzadigd, maar Jesurun werd vet en opstandig. Dik werd hij, vet en zwaar.
Hij verliet de God die hem had gemaakt, onteerde de rots die zijn heil was.
16 Ze tergden hem met vreemde goden,
met gruwelijke beelden krenkten ze hem.
16 Zij verwekten Hem tot naijver door vreemde goden,
met gruwelen krenkten zij Hem;
16 Zij hebben Hem tot ijver verwekt door vreemde goden; door gruwelen hebben zij Hem tot toorn verwekt.
16 Zij tartten Hem met vreemde goden, tergden Hem met gruwelijke beelden;
17 Ze brachten offers aan demonen,
aan goden die geen goden zijn,
goden die zij eerst niet kenden,
nieuwkomers, nog maar net in zwang,
die voor hun voorouders niet eens bestonden.
17 zij offerden aan de boze geesten, die geen goden zijn,
aan goden, die zij niet hebben gekend,
nieuwe goden, die kort tevoren opgekomen waren,
voor welke uw vaderen niet gehuiverd hadden.
17 Zij hebben aan de duivelen geofferd, niet aan God; aan de goden, die zij niet kenden; nieuwe, die van nabij gekomen waren, voor dewelke uw vaders niet geschrikt hebben.
17 zij offerden aan demonen, niet-goden, godheden die zij nooit hadden gekend,
nieuwelingen, pas opgekomen, die hun vaders nooit hadden geëerd.
18 U vergat de God die u gebaard heeft,
u verwierp de rots die u ter wereld bracht.
18 De Rots, die u verwekt heeft, hebt gij veronachtzaamd
en vergeten de God, die u heeft voortgebracht.
18 Den Rotssteen, Die u gegenereerd heeft, hebt gij vergeten; en gij hebt in vergetenis gesteld den God, Die u gebaard heeft.
18 De rots die u voortbracht hebt u verlaten,
de God die u verwekte hebt u vergeten.

19 Toen de HEER zag wat u deed,
bemerkte hoe zijn kinderen hem krenkten,
ontstak hij in hevige toorn en zei:

19 Toen de HERE dat zag, heeft Hij hen verworpen,
omdat Hij gekrenkt was door zijn zonen en dochteren;
19 Als het de HEERE zag, zo versmaadde Hij hen, uit toornigheid tegen zijn zonen en zijn dochteren.
19 De HEER zag het! Gekrenkt als Hij was verwierp Hij zijn zonen en dochters.
20 “Ik zal me van hen afkeren
en dan eens zien hoe het hun vergaat.
Want dit is een verdorven geslacht,
niemand van hen is te vertrouwen.
20 Hij zeide: Ik wil mijn aangezicht voor hen verbergen
en zien, wat hun einde wezen zal,
want zij zijn een verkeerd geslacht,
kinderen, die geen trouw kennen.
20 En Hij zeide: Ik zal Mijn aangezicht van hen verbergen; Ik zal zien, welk hunlieder einde zal wezen; want zij zijn een gans verkeerd geslacht, kinderen, in welke geen trouw is.
20 Hij sprak: “Ik verberg voor hen mijn gelaat; Ik wil zien hoe het dan met hen afloopt.
Een onbetrouwbare generatie zijn zij,
mensen op wie men niet aan kan.
21 Ze tergden mij met wat geen god is
en daagden mij uit met hun nietige afgoden.
Daarom terg ik hen met wat geen volk is,
ik daag hen uit met een volk zonder verstand.
21 Zij verwekten Mij tot naijver door wat geen god is,
zij krenkten Mij met hun ijdelheden.
Daarom zal Ik hen tot naijver verwekken door wat geen natie is,
door een dwaas volk zal Ik hen krenken.
21 Zij
[32:21] Rom 10:19.
hebben Mij tot ijver verwekt door hetgeen geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun ijdelheden; Ik dan zal hen tot ijver verwekken door diegenen, die geen volk zijn; door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken.
21 Met niet-goden hebben zij Mij getart,
met hun goden van niets Mij getergd.
Nu tart Ik hen met een niet-volk en terg hen met een natie van niets.
22 Als het vuur van mijn toorn is ontstoken
zal het branden tot in het diepste dodenrijk;
het zal de aarde verschroeien en alles wat daar groeit,
het zal de grondvesten van de bergen verteren.
22 Want een vuur is in mijn toorn ontstoken,
het brandt tot in de diepten van het dodenrijk;
het verteert de aarde met wat zij opbrengt
en verzengt de grondvesten der bergen.
22 Want een
[32:22] Jer 15:14.
vuur is aangestoken in Mijn toorn, en zal bernen tot in de onderste hel, en zal het land met zijn inkomst verteren, en de gronden der bergen in vlam zetten.
22 Het vuur van mijn toorn is ontbrand, dringt door tot de diepten van het dodenrijk,
het verzengt de aarde en al wat er groeit, en verteert de grondvesten van de bergen.
23 Ramp na ramp breng ik over hen,
al mijn pijlen schiet ik op hen af.
23 Ik zal rampen over hen ophopen,
al mijn pijlen tegen hen afschieten.
23 Ik zal kwaden over hen hopen; Mijn pijlen zal Ik op hen verschieten.
23 Ik bedelf hen onder rampen, al mijn pijlen verschiet Ik op hen:
24 Honger zal hen uitmergelen, de pest hen verteren,
ziekten zullen hen te gronde richten.
Ik geef hen ten prooi aan wilde dieren,
giftige slangen laat ik hen bijten.
24 Als zij uitgeput zijn van honger en verteerd van koortsgloed
en dodelijke ziekte,
dan zal Ik de tanden der wilde dieren tegen hen loslaten,
met het venijn van wat schuifelt in het stof.
24 Uitgeteerd zullen zij zijn van honger, opgegeten van den karbonkel en bitter verderf; en Ik zal de tanden der beesten onder hen schikken, met vurig venijn van slangen des stofs.
24 moordende honger, vernielende pest, verwoestende ziekten.
Ik stuur dieren met scherpe tanden en giftige slangen op hen af.
25 Buiten eist de oorlog zijn tol,
binnen heerst de angst voor de dood.
Niemand wordt ontzien,
man noch vrouw, jong noch oud.
25 Buitenshuis zal het zwaard verdelgen,
en binnenskamers de ontzetting:
jongeling zowel als maagd,
zuigeling en grijsaard.
25 Van buiten zal het zwaard beroven, en uit de binnenkameren de verschrikking; ook den jongeling, ook de jonge dochter, het zuigende kind met den grijzen man.
25 Buiten brengt het zwaard de dood, en in hun huizen de schrik,
bij jongemannen en meisjes, bij zuigelingen en grijsaards.

26 Ik zou hen wel willen wegvagen,
elke herinnering aan hen willen uitwissen,

26 Ik zou gezegd hebben: Ik zal hen wegblazen,
een einde maken aan hun gedachtenis onder de stervelingen,
26 Ik zeide: In alle hoeken zoude Ik hen verstrooien; Ik zoude hun gedachtenis van onder de mensen doen ophouden;
26 Ik zou hen vernietigd hebben, en hun naam bij de mensen uitgewist,
27 maar ik vrees de hoon van hun vijanden.
Die zullen immers de feiten verdraaien,
de overwinning voor zichzelf opeisen
en de hand van de HEER daarin ontkennen.
27 indien Ik de hoon van de vijand niet gevreesd had,
dat hun tegenstanders het zouden misverstaan
en zeggen: onze hand was verheven,
niet de HERE heeft dit alles gedaan.
27 Ten ware, dat Ik de toornigheid des vijands schroomde, dat niet hun tegenpartijen zich vreemd mochten houden; dat zij niet mochten zeggen: Onze hand is hoog geweest; de HEERE heeft dit alles niet gewrocht.
27 had Ik niet de spot van hun vijand gevreesd, het onbegrip van hun belager,
die zeggen zou: ‘Onze macht heeft hen overwonnen, de HEER heeft er niets toe gedaan!’
28 Zo kortzichtig zijn die vijanden,
het ontbreekt hun aan elk begrip.
28 Want zij zijn een volk, dat elk begrip mist,
en er is bij hen geen inzicht.
28 Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.
28 Want het is een volk zonder begrip en alle inzicht ontbreekt hun.
29 Waren ze wijs, dan hadden ze inzicht
en begrepen ze hoe het hunzelf zal vergaan.
29 Indien zij wijs waren, zouden zij dit verstaan,
zij zouden op hun einde letten.
29 O, dat zij wijs waren; zij zouden dit vernemen, zij zouden op hun einde merken.
29 Waren zij wijs, zij zouden het vatten en acht slaan op wat nog komen gaat.
30 Want hoe zouden zij met één man
duizend van jullie kunnen achtervolgen,
met twee er tienduizend verjagen,
als de HEER, jullie rots, je niet uitleverde?
30 Hoe zou één er duizend kunnen najagen
en zouden twee er tienduizend op de vlucht kunnen drijven,
als niet hun Rots hen verkocht
en de HERE hen prijsgegeven had.
30 Hoe zoude een enige duizend jagen, en twee tien duizend doen vluchten, ten ware, dat hunlieder Rotssteen hen verkocht, en de HEERE hen overgeleverd had?
30 Hoe kon één man er duizend verjagen en twee mannen er tienduizend doen vluchten,
als niet hun rots hen verkocht had, als de HEER hen niet in de steek had gelaten?
31 Jullie vijanden zullen het erkennen:
de rots waarop zij steunen is niets naast jullie rots.
31 Want hun rots is niet als onze Rots;
onze vijanden mogen zelf oordelen.
31 Want hun rotssteen is niet gelijk onze Rotssteen, zelfs onze vijanden rechters zijnde.
31 Onze rots is niet als de hunne: dat zullen zij zelf erkennen.
32 De wijn die ik hun te drinken geef
is afkomstig van Sodoms wijnstok,
hij komt uit Gomorra’s wijngaarden;
bittere, giftige druiven brengen die voort,

32 Waarlijk, hun wijnstok stamt uit de wijnstok van Sodom
en uit de wijngaarden van Gomorra;
hun druiven zijn giftige druiven,
bitter zijn hun trossen.
32 Want hun wijnstok is uit den wijnstok van Sódom, en uit de velden van Gomórra; hun wijndruiven zijn vergiftige wijndruiven; zij hebben bittere beziën.
32 Hun wijnstok stamt uit Sodom, uit de wijngaarden van Gomorra;
hun druiven zijn giftige druiven, zij dragen bittere trossen,
33 de wijn ervan is vol venijn,
dodelijk als het gif van slangen.
33 Hun wijn is slangevenijn
en wreed addervergif.
33 Hun wijn is vurig drakenvenijn, en een wreed adderenvergift.
33 hun wijn is slangenvenijn en wrang als addergif.
34 Ik heb dat allemaal bewaard,
het opgeborgen in mijn schatkamers
34 Is het niet bij Mij weggeborgen,
verzegeld in mijn schatkamers?
34 Is dat niet bij Mij opgesloten, verzegeld in Mijn schatten?
34 Wees overtuigd: dat alles bewaar Ik, in mijn schatkamers berg Ik het op,
35 voor de dag dat ik wraak ga nemen,
(32:35) voor de dag dat ik wraak ga nemen – Volgens de Septuaginta. MT: ‘mij komt de wraak toe’.
het tijdstip waarop ik hun kwaad vergeld,
wanneer aan hun voorspoed een einde komt.
Want de dag van hun ongeluk is nabij,
hun noodlot komt onafwendbaar op hen af.”
35 Mij komt de wraak toe en de vergelding
tegen de tijd, dat hun voet zal wankelen,
want de dag van hun verderf is nabij,
snel komt nader wat over hen is beschikt.
35 Mijn is de wraak en de vergelding, ten tijde als hunlieder voet zal wankelen; want de dag huns ondergangs is nabij, en de dingen, die hun zullen gebeuren, haasten.
35 voor de dag van wraak en vergelding, de tijd dat hun voeten wankel worden.
Ja, hun ongeluksdag is nabij, wat voor hen is bestemd, nadert snel.

36 Want de HEER zal zijn volk recht doen,
hij ontfermt zich weer over zijn dienaren.
Als hij ziet dat alle krachten hun begeven
en weldra iedereen bezwijkt,
36 Want de HERE zal recht doen aan zijn volk
en Zich ontfermen over zijn knechten;
wanneer Hij ziet, dat hun kracht vergaan is,
van hoog tot laag allen hun einde gevonden hebben,
36 Want de HEERE zal aan Zijn volk recht doen, en het zal Hem over Zijn knechten berouwen; want Hij zal zien, dat de hand is weggegaan, en de beslotene en verlatene niets is.
36 De HEER zal rechtspreken over zijn volk, Hij erbarmt zich over zijn dienaren.
Als Hij ziet dat hun kracht is vergaan, en dat het bittere einde hen bedreigt,
37 zal hij zeggen: “Waar zijn je goden nu?
Waar is de rots waarop je steunde?
37 dan zal Hij zeggen: Waar zijn hun goden,
– de rots, waarbij zij schuilden –
37 Dan zal Hij zeggen: Waar zijn hun goden; de rotssteen, op welken zij betrouwden?
37 dan zal Hij zeggen: waar zijn hun goden, de rots waarop zij vertrouwden,
38 Hebben ze niet het vet van je offers gegeten,
niet gedronken van de wijn die je ze aanbood?
Laten die goden je dan te hulp schieten,
laten zij een schuilplaats voor je zijn!
38 die het vet van hun slachtoffers aten,
de wijn van hun plengoffers dronken?
Laat hen opstaan om u te redden,
zodat gij bescherming vindt.
38 Welker slachtofferen vet zij aten, welker drankofferen wijn zij dronken; dat zij opstaan en u helpen, dat er verberging voor u zij.
38 die het vet van hun slachtoffers aten en dronken de wijn die zij plengden?
Dat zij maar opstaan om u te helpen, dat zij u omringen met hun bescherming!
39 Zie het toch in: ik ben de enige,
naast mij is er geen andere god.
Ik laat sterven, ik geef leven,
ik sla wonden en ik genees.
Wanneer ik mijn macht laat gelden
is er niemand die redding bieden kan.

39 Ziet nu, dat Ik, Ik het ben,
daar is geen God, behalve Mij.
Ik dood en doe herleven,
Ik verbrijzel en Ik genees,
en niemand is er die redt uit mijn macht.
39 Ziet nu, dat Ik, Ik DIE ben, en geen God met Mij, Ik dood
[32:39] 1 Sam 2:6.
en maak levend; Ik versla en Ik heel; en er is niemand, die uit Mijn hand redt!
39 Erken dan dat Ik het ben, Ik alleen; er is geen God buiten Mij.
Ik ben het die dood maakt en levend. Ik sla wonden en heel ze ook weer.
Er is niemand die redt uit mijn hand.
40 Ik hef mijn hand op naar de hemel
en zweer: ‘Zo waar ik eeuwig leef:
40 Voorwaar, Ik hef mijn hand ten hemel
en zeg: Zowaar Ik in eeuwigheid leef:
40 Want Ik zal Mijn hand naar den hemel opheffen, en Ik zal zeggen: Ik leef in eeuwigheid!
40 Ik hef mijn hand naar de hemel; Ik zeg: Zowaar Ik in eeuwigheid leef,
41 Ik wet mijn bliksemend zwaard,
ik ga het vonnis voltrekken.
Ik zal mij wreken op mijn vijanden,
ik reken af met wie mij haatten.
41 als Ik mijn bliksemend zwaard wet,
en mijn hand grijpt naar het gericht,
dan zal Ik wraak oefenen aan mijn tegenstanders,
en vergelding brengen over wie Mij haten.
41 Indien Ik Mijn glinsterend zwaard wette, en Mijn hand ten gerichte grijpt, zo zal Ik de wraak op Mijn tegenpartijen doen wederkeren, en Mijn hateren vergelden.
41 Ik scherp mijn fonkelend zwaard en maak mij gereed voor het oordeel.
Ik neem wraak op mijn vijanden, Ik bestraf degenen die Mij haten.
42 Mijn pijlen maak ik dronken van het bloed
van vijanden, gevallen en gevangen;
mijn zwaard verslindt het vlees van hun mannen
die zo dreigend hun haren hadden losgeworpen.’”
42 Ik zal mijn pijlen dronken maken van bloed,
en mijn zwaard zal vlees verslinden:
het bloed der verslagenen en der gevangenen,
de harige hoofden der vijanden.
42 Ik zal Mijn pijlen dronken maken van bloed, en Mijn zwaard zal vlees eten; van het bloed des verslagenen en des gevangenen, van het hoofd af zullen er wraken des vijands zijn.
42 Ik voer mijn pijlen dronken met bloed, mijn zwaard verslindt vlees,
bloed van geslagenen en gevangenen, van de langharige leiders van de vijand.”

43 Laat alle volken zijn volk toejuichen,
omdat hij het bloed van zijn dienaren wreekt;
hij neemt wraak op zijn vijanden
en de schuld van zijn land en zijn volk wist hij uit.’

43 Jubelt, gij natiën, om zijn volk,
want Hij wreekt het bloed van zijn knechten,
Hij oefent wraak aan zijn tegenstanders
en verzoent zijn land, zijn volk.
43 Juicht,
[32:43] Rom 15:10.
gij heidenen, met Zijn volk! want Hij zal het bloed Zijner knechten wreken; en Hij zal de wraak op Zijn tegenpartijen doen wederkeren, en verzoenen Zijn land en Zijn volk.
43 Verheug u, volken, over zijn volk, want Hij wreekt het bloed van zijn dienaren,
neemt wraak op zijn vijanden en zuivert het land voor zijn volk.’

44 Heel dit lied heeft Mozes samen met Jozua, de zoon van Nun, gezongen en het volk was er getuige van.
Mozes’ einde nadert
44 Mozes dan kwam en sprak ten aanhoren van het volk al de woorden van dit lied, samen met Hosea, de zoon van Nun.
44 En Mozes kwam, en sprak al de woorden dezes lieds voor de oren des volks, hij en Hoséa, de zoon van Nun.

44 Mozes kwam naar voren en droeg met Hosea, de zoon van Nun, ten aanhoren van het volk de hele tekst van dit lied voor.
45 Toen Mozes zijn toespraak tot heel Israël beëindigd had,
45 En nadat Mozes al deze woorden tot geheel Israël gesproken had,
45 Als nu Mozes geëindigd had al die woorden tot gans Israël te spreken;
45 En toen hij voor heel Israël deze toespraak had beëindigd,
46 besloot hij: ‘Neem mijn waarschuwingen ter harte, en draag ook uw kinderen op om zich strikt te houden aan de wetten waarin u onderwezen bent. 46 zeide hij tot hen: Neemt al de woorden ter harte, waarmee ik u heden vermaan, opdat gij daarmee uw kinderen zult opdragen al de woorden dezer wet nauwgezet te onderhouden.
46 Zo zeide hij tot hen: Zet uw hart op al de woorden, die ik heden onder ulieden betuige, dat gij ze uw kinderen gebieden zult, dat zij waarnemen te doen al de woorden dezer wet.
46 zei hij tegen hen: ‘Neem alle woorden ter harte die ik vandaag als getuigenis tegen u gesproken heb, en beveel uw kinderen dat zij alle bepalingen van deze Wet stipt naleven.
47 Want het gaat hier niet om iets onbeduidends, het is een zaak van levensbelang! Als u er gehoor aan geeft, zult u lang mogen leven in het land aan de overkant van de Jordaan, dat u in bezit zult nemen.’ 47 Want dit is voor u geen ledig woord, maar dit is uw leven: door dit woord zult gij lang wonen in het land, dat gij na het overtrekken van de Jordaan in bezit zult nemen.
47 Want dat is geen vergeefs woord voor ulieden; maar het is uw leven; en door ditzelve woord zult gij de dagen verlengen op het land, waar gij over de Jordaan naar toe gaat, om dat te erven.
47 Want het gaat om een belangrijke zaak voor u, waar uw leven van afhangt; ja, daarvan hangt af hoe lang u zult leven op de grond die u aan de overkant van de Jordaan in bezit gaat nemen.’
Mozes’ zegen en zijn dood
48 Op diezelfde dag zei de HEER tegen Mozes:
48 Voorts zeide de HERE op diezelfde dag tot Mozes:
48 Daarna sprak de HEERE tot Mozes, op dienzelfden dag, zeggende:
48 Diezelfde dag sprak de HEER tot Mozes:
49 ‘Ga het Abarimgebergte in en beklim de Nebo, die in Moab ligt, tegenover Jericho. Daar kun je uitkijken over Kanaän, het land dat ik de Israëlieten in bezit ga geven. 49 Beklim dit gebergte, de Abarim – de berg Nebo, die in het land Moab ligt, tegenover Jericho – en aanschouw het land Kanaän, dat Ik de Israëlieten in bezit zal geven,
49 Klim
[32:49] Num 27:12.
op den berg Abárim (deze is de berg Nebo, die in het land van Moab is, die tegenover Jericho is), en zie het land Kanaän, dat Ik den kinderen Israëls tot een bezitting geven zal;
49 ‘Ga het Abarimgebergte op, de berg Nebo in Moab, recht tegenover Jericho; dan kunt u Kanaän zien, het land dat Ik de Israëlieten in bezit geef.
50 Op die berg zul je sterven en met je voorouders verenigd worden, zoals je broer Aäron op de Hor stierf en met zijn voorouders werd verenigd. 50 en sterf op de berg, die gij beklimmen zult, opdat gij tot uw voorgeslacht vergaderd wordt, zoals uw broeder Aäron op de berg Hor gestorven en tot zijn voorgeslacht vergaderd is –
50 En sterf op dien berg, waarheen gij opklimmen zult, en word vergaderd tot uw volken; gelijk als uw broeder
[32:50] Num 27:13; 33:38.
Aäron stierf op den berg Hor, en werd tot zijn volken vergaderd.
50 Daar zult u sterven, op de berg die u beklimt, en met uw voorvaderen worden verenigd, zoals uw broer Aäron, die op de berg Hor overleed en met zijn voorvaderen werd verenigd.
51 Want bij het water van Meribat-Kades, in de woestijn van Sin, kwamen jullie tegen mij in opstand; in het bijzijn van heel Israël toonden jullie geen ontzag voor mijn heiligheid. 51 omdat gij ontrouw jegens Mij geweest zijt te midden van de Israëlieten, bij de wateren van Meribat-Kades in de woestijn Sin, en gij Mij niet geheiligd hebt te midden van de Israëlieten.
51 Omdat gijlieden u tegen Mij vergrepen
[32:51] Num 20:12.
hebt, in het midden der kinderen Israëls, aan het twistwater te Kades, in de woestijn Zin; omdat gij Mij niet geheiligd hebt in het midden der kinderen Israëls.
51 Want u bent Mij ontrouw geweest bij de wateren van Meribat-Kades, in de woestijn Sin, omdat u Mij bij de Israëlieten niet als heilig hebt behandeld.
52 Alleen van een afstand zul je het land zien dat ik hun zal geven, je zult het niet binnengaan.’ 52 Want gij zult het land vóór u zien liggen, maar daar niet binnengaan, het land dat Ik de Israëlieten geven zal.
52 Want van tegenover zult gij dat land zien, maar daarheen niet inkomen, in het land, dat Ik den kinderen Israëls geven zal.
52 Vanuit de verte mag u kijken naar het land dat Ik de Israëlieten schenk, maar u zult er niet binnengaan.’

De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

NBG-vertaling 1951
© 1951 Nederlands Bijbelgenootschap

Statenvertaling (Jongbloed-editie)

Willibrordvertaling (herziene editie 1995)
© 1995 Katholieke Bijbelstichting

Kijkt u ook eens naar:
Voor informatie over hoe het NBG omgaat met de privacy van websitebezoekers: klik hier.
Vragen? Stuur een e-mail naar
info@bijbelgenootschap.nl
visitor stats