|
2
1 Ik ga nu op mijn wachtpost staan,
betrek mijn post op het bolwerk,
kijk uit om te zien wat de HEER mij zal zeggen,
wat hij mij antwoordt op mijn verwijt.
|
Het gericht over de Chaldeeën
2
1 Ik wil gaan staan op mijn wachttoren en mij stellen op de wal, ik wil uitzien naar wat Hij tot mij spreken zal, en wat ik moet antwoorden op mijn klacht.
|
De Chaldeeën zullen gekastijd worden
2
1 Ik stond op mijn wacht, en ik stelde mij op de sterkte, en ik hield wacht om te zien, wat Hij in mij spreken zou, en wat ik antwoorden zou op mijn bestraffing.
|
Tweede antwoord
2
1 Ik zal mijn wachtpost betrekken,
ik ga op de wallen staan;
ik zal uitkijken om te zien
wat Hij mij zeggen zal:
het antwoord dat ik krijgen zal op mijn bezwaren.
|
|
2 Dit was het antwoord van de HEER.
Schrijf dit visioen op,
grif het duidelijk in platen, zodat het snel te lezen is.
|
2 Toen antwoordde de HERE mij: Schrijf het gezicht op en zet het duidelijk op tafelen, opdat men het in het voorbijlopen zal kunnen lezen.
|
2 Toen antwoordde mij de HEERE, en zeide: Schrijf het gezicht, en stel het duidelijk op tafelen, opdat daarin leze die voorbijloopt.
|
2 De HEER antwoordde:
‘Schrijf het visioen op,
zet het duidelijk op schrift,
zodat men het vlot kan lezen.
|
|
3 Het visioen wacht tot zijn tijd gekomen is,
het getuigt ervan, het liegt niet.
Ook al is het nog niet vervuld,
wacht maar, het komt zeker,
het zal niet uitblijven.
|
3 Want wel wacht het gezicht nog tot de bestemde tijd, maar het spoedt zich zonder falen naar het einde; als het vertoeft, verbeid het, want komen zal het gewis; uitblijven zal het niet.
|
3 Want het gezicht zal nog tot een bestemden tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen; zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven.
|
3 Want het visioen,
al wacht het zijn toegewezen tijd nog af,
smacht naar zijn vervulling:
het vertelt geen leugen.
Al blijft het uit,
geef het wachten niet op,
want komen doet het beslist en het komt niet te laat.
|
|
4 Wie niet oprecht is kwijnt weg,
maar de rechtvaardige zal leven door zijn trouw.
|
4 Zie, opgeblazen, niet recht, is zijn ziel in hem, maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.
|
4 Ziet, zijn ziel verheft zich, zij is niet recht in hem; maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.
|
4 Wie in zijn hart niet deugt, kwijnt weg,
maar de rechtvaardige blijft leven door zijn geloof.
|
|
5 Zo bedrieglijk als de wijn is,
zo hoogmoedig is deze man,
maar hij zal zijn doel niet bereiken.
Net als het dodenrijk spert hij zijn keelgat open,
net als de dood raakt ook hij niet verzadigd.
Hij verzamelt alle volken om zich heen,
haalt alle naties naar zich toe.
|
5 Voorzeker, de bedrieglijke trotsaard is een snoevend mens, doch zonder bestand, die zijn muil openspert als het dodenrijk en onverzadelijk is als de dood, zodat hij alle volkeren tot zich verzamelt en alle natiën tot zich bijeenbrengt.
|
5 En ook dewijl hij trouwelooslijk handelt bij den wijn, een trots man is, en in zijn woning niet blijft; die zijn ziel wijd opendoet als het graf, en gelijk de dood is, die niet zat wordt, en tot zich verzamelt al de heidenen, en vergadert tot zich alle volken.
|
5 Hoezeer de wijn hem het hoofd op hol brengt,
de trotse bedrieger zal zijn doel niet bereiken;
hij die zijn keelgat open heeft staan als het dodenrijk
en die zo onverzadigbaar is als de dood;
hij die alle natiën naar zich toetrekt
en alle volken verzamelt voor zichzelf.
|
|
6 Iedereen zal spreuken op hem toepassen, spotliederen en raadsels.
Ze zullen zeggen:
‘Wee hem die zich verrijkt met andermans goed
en zo een steeds zwaardere schuld op zich laadt.
Hoe lang gaat hij daar nog mee door?’
|
6 Zullen die allen niet een spreuk over hem opheffen, en een spotlied, raadsels, en zeggen:
Wee hem die zich verrijkt met wat niet van hem is – tot hoelang? en die gepand goed op zich laadt!
|
6 Zouden dan niet al dezelve van hem een spreekwoord opnemen, en een uitlegging der raadselen van hem? En men zal zeggen: Wee dien, die vermeerdert hetgeen het zijne niet is (hoe lange!), en dien, die op zich laadt dik slijk.
|
6 Samen zullen zij een schimplied aanheffen tegen hem,
een lied vol hatelijke spot.’
Weeklacht
Wee degene, zo zal men zeggen, die andermans goed opstapelt.
Hoelang nog zal hij te zware panden eisen?
|
|
7 Denk je niet dat je schuldeisers plotseling zullen opstaan,
dat je bedreigers wakker zullen worden?
Dan word jij hun prooi!
|
7 Zullen niet plotseling opstaan zij die u bijten, en ontwaken zij die u schrik aanjagen, zodat gij hun worden zult tot een gewisse buit?
|
7 Zullen niet onvoorziens opstaan, die u bijten zullen, en ontwaken, die u zullen bewegen, en zult gij hun niet tot plundering worden?
|
7 Onverwachts zullen er immers schuldeisers voor u opdagen,
en afpersers voor u wakker worden
en u zult hun prooi zijn.
|
|
8 Je hebt vele volken geplunderd,
andere volken zullen jou plunderen.
Je hebt bloed vergoten,
je hebt gewelddaden begaan
tegen het land, de stad en haar bewoners.
|
8 Omdat gij vele volkeren geplunderd hebt, zal al wat van de natiën overgebleven is, u plunderen, vanwege het vergoten mensenbloed en vanwege het geweld het land, de stad en al haar inwoners, aangedaan.
|
8 Omdat gij vele heidenen beroofd hebt, zo zullen alle overgeblevene volken u beroven; om het bloed der mensen, en het geweld aan het land, de stad, en alle inwoners derzelve.
|
8 Omdat u die vele natiën hebt geplunderd,
wordt u door de rest van de volken geplunderd;
vanwege het bloed van de mensen en het geweld tegen het land,
tegen de stad en al haar bewoners.
|
|
9 ‘Wee hem die woekerwinsten maakt ten bate van zijn huis,
zijn nest in de hoogte bouwt,
om zo uit de greep van het onheil te blijven.’
|
9 Wee hem die onrechtmatig gewin bijeenbrengt voor zijn huis, om zijn nest te maken in de hoogte, ten einde zich te redden uit de greep van het onheil!
|
9 Wee dien, die met kwade gierigheid giert voor zijn huis, opdat hij in de hoogte zijn nest stelle, om bevrijd te zijn uit de hand des kwaads.
|
9 Wee degene die woekerwinst maakt ten bate van zijn huis,
om zich een nest te bouwen zo hoog,
dat hij daarmee denkt te ontkomen aan de hand van het onheil.
|
|
10 Wat je van plan bent is je huis tot schande,
door vele volken te vernietigen verspeel je je leven.
|
10 Gij hebt schande tegen uw huis beraamd, (toen gij het voornemen hadt) vele volkeren te verdelgen; dus hebt gij uw leven verbeurd.
|
10 Gij hebt schaamte beraadslaagd voor uw huis; uitroeiende vele volken, zo hebt gij gezondigd tegen uw ziel.
|
10 U hebt alleen maar schande voor uw huis beraamd;
door vele volken uit te moorden
hebt u uzelf met schuld beladen:
|
|
11 Zelfs de stenen klagen je aan vanuit de muur,
en de balken stemmen ermee in vanuit het gebinte.
|
11 Want de steen schreeuwt uit de muur, en de balk antwoordt hem uit het houtwerk.
|
11 Want de steen uit den muur roept, en de balk uit het hout antwoordt dien.
|
11 de stenen schreeuwen het vanuit de muur
en de balken vallen hun bij vanuit de gebinten.
|
|
12 ‘Wee hem die een stad bouwt op bloed
en een vesting op onrecht.’
|
12 Wee hem die de stad met bloed bouwt, en de veste op onrecht grondvest!
|
12 Wee dien, die de stad met bloed bouwt, en die de stad met onrecht bevestigt!
|
12 Wee degene die een stad wil bouwen met bloed
en een vesting wil funderen op misdaad!
|
|
13 Is dit niet de wil van de HEER van de hemelse machten:
volken zwoegen voor een verslindend vuur,
landen matten zich af voor niets?
|
13 Ziet, is het niet van de HERE der heerscharen, dat de volkeren zich vermoeien voor het vuur en de natiën zich afmatten voor niets?
|
13 Ziet, is het niet van den HEERE der heirscharen, dat de volken arbeiden ten vure, en de lieden zich vermoeien tevergeefs?
|
13 Is dit niet de wil van de HEER van de machten,
dat de volken zich moe maken voor wat zal vergaan in het vuur,
en dat de volksstammen zich aftobben
voor wat op niets zal uitlopen?
|
|
14 Maar zoals de zee vol water is,
zo zal de aarde vol kennis van de grootheid van de HEER zijn.
|
14 Want de aarde zal vol worden van de kennis van des HEREN heerlijkheid, gelijk de wateren die de bodem der zee bedekken.
|
14 Want de aarde zal vervuld worden, dat zij de heerlijkheid des HEEREN bekennen, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.
|
14 Want de aarde zal worden vervuld
met kennis van de glorie van de HEER
zoals de zee boordevol water staat.
|
|
15 ‘Wee hem die iemand te drinken geeft
en daar gif aan toevoegt,
die iemand dronken voert om hem naakt te zien.’
|
15 Wee hem die zijn naaste doet drinken en er uw gif bijmengt, en hem ook dronken maakt om hun naaktheid te aanschouwen!
|
15 Wee dien, die zijn naaste te drinken geeft, gij, die uw wijnfles daarbij voegt, en ook dronken maakt, opdat gij hun naaktheden aanschouwt.
|
15 Wee degene die zijn naaste laat drinken
en in die drank zijn vergif mengt
om hem dronken te maken
en zo zijn naaktheid te zien.
|
|
16 Vol van schande ben je, zonder eer;
ook jij zult moeten drinken en je voorhuid laten zien.
De rechterhand van de HEER reikt je de beker aan,
schande over je eer!
|
16 Gij hebt u verzadigd met schande in plaats van met eer, drink gij nu ook en ontbloot u. Tot u zal zich wenden de beker van de rechterhand des HEREN, en grote schande zal komen over uw heerlijkheid.
|
16 Gij zult ook verzadigd worden met schande, voor eer; drinkt gij ook, en ontbloot de voorhuid; de beker der rechterhand des HEEREN zal zich tot u wenden, en er zal een schandelijk uitbraaksel over uw heerlijkheid zijn.
|
16 U hebt u met schande verzadigd en niet met eer:
drink dus zelf ook en toon uw onbesnedenheid.
De beker in de rechterhand van de HEER komt deze keer bij u,
en schande zal uw glorie zijn.
|
|
17 Het geweld tegen de Libanon zal je achtervolgen,
de slachting onder de dieren zal je verbijsteren, (2:17) zal je verbijsteren – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘zal hen verbijsteren’.
net als het bloed dat je vergoten hebt
en de gewelddaden die je hebt begaan
tegen het land, de stad en haar bewoners.
|
17 Want het geweld, de Libanon aangedaan, zal u bedekken, en het uitroeien van de dieren zal u verschrikken, vanwege het vergoten mensenbloed en het geweld het land, de stad en al haar inwoners, aangedaan.
|
17 Want het geweld, dat tegen Libanon begaan is, zal u bedekken, en de verwoesting der beesten zal ze verschrikken, om des bloeds wil der mensen, en des gewelds in het land, de stad en aan alle inwoners derzelve.
|
17 Want onder het geweld
dat u de Libanon hebt aangedaan,
zult u zelf bedolven worden;
door de vernieling die u onder de dieren hebt aangericht,
zult u zelf getroffen worden:
zo zal het u vergaan
vanwege het bloed van de mensen en het geweld tegen het land,
tegen de stad en al haar bewoners.
|
|
18 Wat heb je aan een godenbeeld,
gebeeldhouwd door zijn maker?
Aan een gegoten beeld dat leugens verkondigt?
Wie vertrouwt zich nu toe aan wat hij zelf heeft gemaakt?
Wat hij maakt zijn stomme afgoden!
|
18 Wat baat het gesneden beeld, daar zijn maker het gehouwen heeft; het gegoten beeld, dat een leugenleraar is, dat de maker op zijn maaksel vertrouwt, terwijl het stomme afgoden zijn, die hij maakt?
|
18 Wat zal het gesneden beeld baten, dat zijn formeerder het gesneden heeft? of het gegoten beeld, hetwelk een leugenleraar is, dat de formeerder op zijn formeersel vertrouwt, als hij stomme afgoden gemaakt heeft?
|
18 Geeft een beeld wel zoveel winst,
dat het de moeite van zijn maker loont?
Een metalen beeld, dat leugen leert;
geeft het wel zoveel winst,
dat de maker kan vertrouwen op zijn eigen werkstuk,
hij, de maker van stomme goden?
|
|
19 ‘Wee hem die tegen een stuk hout zegt: “Word wakker!”
en tegen een stomme steen: “Sta op!”’
Zal dat beeld iets verkondigen?
Het is wel gevat in goud en zilver,
maar er zit geen leven in.
|
19 Wee hem die tot een stuk hout zegt: Ontwaak, en tot een stomme steen: Word wakker. Zou die onderrichten? Zie, hij is gevat in goud en zilver, doch er is volstrekt geen geest in hem.
|
19 Wee dien, die tot het hout zegt: Word wakker! en: Ontwaak! tot den zwijgenden steen. Zou het leren? Ziet, het is met goud en zilver overtrokken, en er is gans geen geest in het midden van hetzelve.
|
19 Wee degene die tegen een stuk hout zegt: ‘Word wakker!’
en tegen een stomme steen: ‘Sta op!’
Wordt daar iemand wijzer van?
Zeker, het is met goud en zilver bekleed,
maar geest zit er niet in.
|
|
20 De HEER troont in zijn heilig paleis.
Aarde, wees stil voor hem!
|
20 Maar de HERE is in zijn heilige tempel. Zwijg voor Hem, gij ganse aarde!
|
20 Maar de HEERE is in Zijn heiligen tempel. Zwijg voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde!
|
20 De HEER echter woont in zijn heilige tempel:
laat heel de aarde zwijgen voor zijn aangezicht.
|
De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap
|
NBG-vertaling 1951
© 1951 Nederlands Bijbelgenootschap |
Statenvertaling (Jongbloed-editie)
|
Willibrordvertaling (herziene editie 1995)
© 1995 Katholieke Bijbelstichting |