|
2
1 Ik ben een lelie van de Saron,
een wilde lelie in het dal.
|
2
1 Ik ben een narcis van Saron,
een lelie der dalen.
|
Het verlangen naar de Bruid
2
1 Ik ben een Roos van Saron, een Lelie der dalen.
|
2
1 Ik ben een krokus van de Saronvlakte, een lelietje van dalen!
|
|
Hij
2 Als een lelie tussen de distels,
zo is mijn vriendin tussen de meisjes.
|
2 – Als een lelie tussen de distelen
zo is mijn liefste onder de jonge meisjes.
|
2 Gelijk een lelie onder de doornen, alzo is Mijn vriendin onder de dochteren.
|
Hij
2 Ja, als een lelie onder de doorns,
zo is mijn vriendin onder de meisjes.
|
|
Zij
3 Als een appelboom tussen de bomen van het bos,
zo is mijn lief tussen de jongens.
Ik verlang in zijn schaduw te zitten,
met mijn tong wil ik zijn zoete vruchten proeven.
|
3 – Als een appelboom onder de bomen des wouds,
zo is mijn geliefde onder de jonge mannen.
In zijn schaduw begeer ik te zitten
en zoet is zijn vrucht voor mijn verhemelte.
|
3 Als een appelboom onder de bomen des wouds, zo is mijn Liefste onder de zonen; ik heb groten lust in Zijn schaduw, en zit er onder, en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet.
|
Zij
3 Als een kweeboom tussen het wilde hout,
zo is mijn lief onder de jonge mannen.
Ik smacht ernaar in zijn schaduw te zitten;
zijn vrucht is zoet voor mijn mond.
|
|
4 Hij brengt mij in het wijnhuis,
boven mij zijn vaandel van liefde.
|
4 Hij heeft mij gebracht naar het wijnhuis
en zijn banier over mij was de liefde.
|
4 Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijn banier over mij.
|
4 Hij heeft mij binnengeleid in het wijnhuis
waar het schild van zijn liefde voor mij hing.
|
|
5 Verkwik me met rozijnen,
verfris me met appels,
want ik ben ziek van liefde.
|
5 Sterkt mij met rozijnenkoeken,
verkwikt mij met appels,
want ik bezwijm van liefde.
|
5 Ondersteunt gijlieden mij met de flessen, versterkt mij met de appelen, want ik ben krank van liefde.
|
5 Sterk mij met druivenkoeken, verkwik mij met kweeappels,
want ik ben ziek van liefde!
|
|
6 Mijn hoofd rust op zijn linkerarm,
met zijn rechterarm omhelst hij mij.
|
6 Zijn linkerarm is onder mijn hoofd
en zijn rechterarm omvangt mij!
|
6 Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij.
|
6 Zijn linkerarm is onder mijn hoofd
en zijn rechter is om mij heen.
|
|
7 Meisjes van Jeruzalem,
ik bezweer je bij de gazellen, bij de hinden op het veld:
wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken
voordat zij het wil.
|
7 Ik bezweer u, dochters van Jeruzalem,
bij de gazellen of bij de hinden des velds:
wekt de liefde niet op en prikkelt haar niet,
vóórdat het haar behaagt.
|
7 Ik bezweer u, gij, dochteren van Jeruzalem! die bij de reeën, of bij de hinden des velds zijt, dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelve luste!
|
Hij
7 Ik bezweer je, dochters van Jeruzalem,
bij de gazellen en bij de hinden in het veld:
wek de liefde niet, maar laat haar sluimeren zolang ze wil.
|
|
Zij
8 Hoor! Mijn lief!
Kijk! Hij komt,
springend over de bergen,
dansend over de heuvels.
|
Liefdeslied der bruid
8 Hoor – mijn geliefde!
Zie, daar komt hij,
springend over de bergen,
huppelend over de heuvelen.
|
8 Dat is de stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen!
|
Zij
8 Hoor, daar is mijn lief!
Kijk, daar komt hij aan:
springend komt hij over de bergen,
over de heuvels komt hij aangesneld.
|
|
9 Als een gazelle is mijn lief,
als het jong van een hert.
Kijk! Hij staat al bij de muur.
Hij blikt door het venster,
tuurt door de spijlen.
|
9 Mijn geliefde is als een gazel
of het jong van een hert.
Zie, hij staat achter onze muur,
kijkend door de vensters, spiedend door de traliën.
|
9 Mijn Liefste is gelijk een ree, of een welp der herten; ziet, Hij staat achter onzen muur, kijkende uit de vensteren, blinkende uit de traliën.
|
9 Mijn lief is als een gazelle,
hij lijkt wel het jong van een hert.
Daar staat hij achter de muur van ons huis.
Hij kijkt door het venster
en tuurt door de tralies naar binnen
|
|
10 Mijn lief roept mij toe:
‘Sta op, vriendin!
Mooi meisje, kom!
|
10 Mijn geliefde gaat tot mij spreken:
Sta toch op, mijn liefste,
mijn schone, en kom.
|
10 Mijn Liefste antwoordt, en zegt tot mij: Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom!
|
10 Nu roept mijn lief en zegt tegen mij:
Hij
‘Sta op, mijn vriendin, kom toch, mijn mooiste.
|
|
11 Kijk! De winter is voorbij,
voorbij zijn de regens, weggegaan.
|
11 Want zie, de winter is voorbij,
de regen is over, verdwenen.
|
11 Want zie, de winter is voorbij, de plasregen is over, hij is overgegaan;
|
11 Kijk maar, de winter is voorbij,
de regentijd is afgelopen.
|
|
12 De bloemen zijn verschenen op het veld,
nu breekt de zangtijd aan,
het koeren van de duif klinkt op het land.
|
12 De bloemen vertonen zich op het veld,
de zangtijd is aangebroken,
en ’t gekir van de tortel wordt gehoord in ons land.
|
12 De bloemen worden gezien in het land, de zangtijd genaakt, en de stem der tortelduif wordt gehoord in ons land.
|
12 Op het veld staan weer bloemen,
de tijd om te zingen breekt aan,
de roep van de tortelduif klinkt over het land.
|
|
13 De vijgenboom is al vol vruchten,
de wijnstok rankt en geurt.
Sta op, vriendin,
Mooi meisje, kom!
|
13 De vijgeboom laat zijn vroege vrucht zwellen,
en de wijnstokken in bloei geven geur.
Sta op, kom, mijn liefste,
mijn schone, kom!
|
13 De vijgeboom brengt zijn jonge vijgjes voort, en de wijnstokken geven reuk met hun jonge druifjes. Sta op, Mijn vriendin! Mijn schone, en kom!
|
13 De vijgenboom draagt zijn eerste vruchten al,
en wat ruikt de bloeiende wijnstok heerlijk!
Sta op, mijn vriendin, kom toch, mijn mooiste!
|
|
14 Mijn duif in de rotskloof,
verscholen in de bergwand,
laat mij je gezicht zien,
laat mij luisteren naar je stem,
want je stem is zo lieflijk,
je gezicht zo bekoorlijk.’
|
14 Mijn duif in de rotskloof,
in de schuilhoek van de bergwand,
laat mij uw gedaante zien,
laat mij uw stem horen,
want zoet is uw stem
en uw gedaante is bekoorlijk.
|
14 Mijn duive, zijnde in de kloven der steenrots, in het verborgene ener steile plaats, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet, en uw gedaante is liefelijk.
|
14 Mijn duif, verscholen in de spleten van de rots,
in de holten van de bergwand,
laat mij je gezicht zien,
laat mij je stem horen,
want je stem is mooi,
je gezicht lieftallig.’
|
|
Hij en zij
15 Vang voor ons de vossen,
vang die kleine vossen.
Ze vernielen de wijngaard,
onze wijngaard vol bloeiende ranken.
|
15 Vangt ons de vossen,
de kleine vossen,
die de wijngaarden verderven,
nu onze wijngaarden in bloei staan.
|
15 Vangt gijlieden ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven, want onze wijngaarden hebben jonge druifjes.
|
Koor
15 Vang de vossen voor ons, de geniepige vossen,
die de wijngaard vernielen, onze wijngaard die in bloei staat!
|
|
Zij
16 Mijn lief is van mij,
en ik ben van hem.
Hij weidt tussen de lelies.
|
16 Mijn geliefde is van mij en ik ben van hem,
die te midden der leliën weidt,
|
16 Mijn Liefste is mijn, en ik ben Zijn, Die weidt onder de leliën,
|
Zij
16 Mijn lief is van mij en ik ben van hem die tussen lelies hoedt.
|
|
17 Nu de dag weer ademt
en het duister vlucht –
ga nu weg, mijn lief.
Spring als een gazelle,
als het jong van een hert
over de geurige bergen.
|
17 tot de avondwind waait
en de schaduwen vlieden.
Wend u dan hierheen, en doe
als de gazel, mijn geliefde,
of als het jong van een hert
op de gekloofde bergen.
|
17 Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vlieden; keer om, mijn Liefste! wordt Gij gelijk een ree, of een welp der herten, op de bergen van Bether.
|
17 Kom mijn lief, voor de morgenbries opsteekt en de schaduwen wegvluchten;
wees als de gazelle of het hertenjong op de bergen aan de horizon.
|
De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap
|
NBG-vertaling 1951
© 1951 Nederlands Bijbelgenootschap |
Statenvertaling (Jongbloed-editie)
|
Willibrordvertaling (herziene editie 1995)
© 1995 Katholieke Bijbelstichting |