Passage opvragen   Tekst zoeken  
Passage:
Bijvoorbeeld:
  • Genesis
  • Gen
  • Gen 1
  • Gen 1:10
  • Gen 1:1-10
Woord(en):
Bijvoorbeeld:
  • evangelie
  • "groot en machtig"
  • koning*
Zoeken in:
Bijbelboeken selecteren...
Bijbelversie(s):
Andere bijbelversie(s) weergeven:
De Nieuwe Bijbelvertaling [NBV]
Statenvertaling (Jongbloed-editie) [SV-J]
NBG-vertaling 1951 [NBG51]
Willibrordvertaling 1995 [WV95]
Groot Nieuws Bijbel 1996 [GNB96]
Meer (Nederlands)...
Statenvertaling 1637[SV1637]
Statenvertaling editie 1977[SV1977]
Meer (buitenlands)...
Engels...
King James Version, 1611 [KJV]
American Standard Version, 1901 [ASV]
Good News Bible, 1992 [GNB]
Contemporary English Version, 1999 [CEV]
World English Bible, 2002 [WEB]
Frans...
Louis Segond, 1910 [SEG]
Duits...
Luthervertaling, 1545 [L45]
Spaans...
Reina-Valera Revisada, 1995 [RVR95]
Noten bij RVR 1995 [RVR95n]
Dios Habla Hoy, 2002 [DHH]
Noten bij DHH 2002 [DHHn]
Catalaans...
Biblia Catalana Interconfessional, 1993 [BCI]
Kroatisch...
Kroatische bijbel (KS), 1994 [HKS]
Latijn...
Vulgata, 4e-5e eeuw (gereconstrueerd) [VUL]
Vulgata Clementina, 1592 [VLC]
Roemeens...
Biblia Cornilescu, 1921 [RCB]
Russisch...
Russische Synodale Vertaling, 1876 [RUS]
Sloveens...
Dalmatin-bijbel 1584 (gedeeltelijk) [DAL]
Chraska-vertaling 1914 [CHR]
Oecumenische Editie 1974 [EKU]
Jubilee New Testament + Psalms 1984 [JUB]
Sloveense Standaardvertaling 1997 [SSP]
Studie-voetnoten bij SSP 1997 [SSP-Op]
Tekstverwijzingen bij SSP 1997 [SSP-Ref]
Sloveense Standaardvertaling 2006 [SSP3]

Jeremia 29

Jeremia :1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52

Jeremia’s brief aan de ballingen
29
Hier volgt de brief die de profeet Jeremia vanuit Jeruzalem heeft gestuurd aan de overgebleven oudsten onder de ballingen, aan de priesters, de profeten en alle anderen die Nebukadnessar vanuit Jeruzalem naar Babel had gevoerd.
Brief aan de ballingen in Babel
29
Dit is de inhoud van de brief die de profeet Jeremia uit Jeruzalem zond aan het overblijfsel van de oudsten der ballingen, aan de priesters, de profeten en het ganse volk dat Nebukadnessar uit Jeruzalem naar Babel in ballingschap had weggevoerd,
Brief van Jeremía aan de ballingen te Babel
29
1 Voorts zijn dit de woorden des briefs, dien de profeet Jeremía zond van Jeruzalem tot de overige oudsten, die gevankelijk waren weggevoerd, mitsgaders tot de priesteren, en tot de profeten, en tot het ganse volk, dat Nebukadnézar van Jeruzalem gevankelijk had weggevoerd naar Babel.
Brief aan de ballingen
29
1 Dit is de tekst van de brief die de profeet Jeremia vanuit Jeruzalem stuurde aan de belangrijkste oudsten in ballingschap, aan de priesters, aan de profeten en aan alle mensen die Nebukadnessar naar Babel had gevoerd.
Hij schreef deze brief toen koning Jechonja, de koningin-moeder, de hovelingen, de leiders van Jeruzalem en Juda en de smeden en wapenmakers al uit Jeruzalem waren weggevoerd. nadat koning Jechonja, de gebiedster, de hovelingen, de vorsten van Juda en Jeruzalem, de handwerkslieden en de smeden Jeruzalem hadden verlaten,
2 (Nadat de koning Jechónia,
[29:2] 2 Kon 24:12 enz.
en de koningin, en de kamerlingen, de vorsten van Juda en Jeruzalem, mitsgaders de timmerlieden en smeden van Jeruzalem waren uitgegaan);
2 Koning Jechonja, de koningin-moeder, de hovelingen, de edelen van Juda en Jeruzalem, de smeden en de slotenmakers waren toen al weg uit Jeruzalem.
Hij liet hem bezorgen door Elasa, de zoon van Safan, en Gemarja, de zoon van Chilkia, de gezanten die namens koning Sedekia van Juda naar koning Nebukadnessar in Babel reisden. De brief had de volgende inhoud: door bemiddeling van Elasa, de zoon van Safan, en Gemarja, de zoon van Chilkia, die Sedekia, de koning van Juda, tot Nebukadnessar, de koning van Babel, naar Babel zond:
3 Door de hand van Elása, den zoon van Safan, en Gemárja, den zoon van Hilkía, die Zedekía, de koning van Juda, naar Babel zond, tot Nebukadnézar, den koning van Babel, zeggende:
3 Hij gaf de brief mee aan Elasa, zoon van Safan, en aan Gemarja, zoon van Chilkia, die als gezanten van koning Sedekia van Juda naar koning Nebukadnessar van Babel gingen.
‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël, tegen de ballingen die hij vanuit Jeruzalem naar Babel heeft laten voeren:
Zo zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël, tot al de ballingen die uit Jeruzalem naar Babel in ballingschap zijn weggevoerd:
4 Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls, tot allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, die Ik gevankelijk heb doen wegvoeren van Jeruzalem naar Babel:
4 ‘Zo spreekt de HEER van de machten, de God van Israël, tegen alle ballingen die Ik uit Jeruzalem naar Babel heb gevoerd:
Bouw huizen en ga daarin wonen, leg tuinen aan en eet van de opbrengst, Bouwt huizen en woont daarin, legt tuinen aan en eet de vrucht daarvan;
5 Bouwt huizen en woont daarin, en plant hoven en eet de vrucht daarvan;
5 U moet huizen bouwen en daarin gaan wonen, tuinen aanleggen en er de opbrengst van eten;
ga huwelijken aan en verwek zonen en dochters, zoek vrouwen voor je zonen en huw je dochters uit, zodat zij zonen en dochters baren. Jullie moeten in aantal toenemen, niet afnemen. neemt vrouwen en verwekt zonen en dochters, neemt vrouwen voor uw zonen en geeft uw dochters aan mannen, opdat zij zonen en dochters baren; vermeerdert daar en vermindert niet.
6 Neemt vrouwen, en gewint zonen en dochteren, en neemt vrouwen voor uw zonen, en geeft uw dochteren aan mannen, dat zij zonen en dochteren baren; en wordt aldaar vermenigvuldigd, en wordt niet verminderd.
6 u moet trouwen en kinderen krijgen, vrouwen kiezen voor uw zonen en uw dochters uithuwelijken, die op hun beurt weer kinderen krijgen. Zorg dat u daar groter wordt in aantal, niet kleiner.
Bid tot de HEER voor de stad waarheen ik jullie weggevoerd heb en zet je in voor haar bloei, want de bloei van de stad is ook jullie bloei. Zoekt de vrede voor de stad waarheen Ik u in ballingschap heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot de HERE, want in haar vrede zal uw vrede gelegen zijn.
7 En zoekt den vrede der stad, waarhenen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot den HEERE; want in haar vrede zult gij vrede hebben.
7 Zet u in voor de welvaart van de stad waarheen Ik u verbannen heb, en bid voor haar tot de HEER, want van haar welvaart hangt uw welvaart af.
Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Laat je niet misleiden door je profeten en waarzeggers. Hecht geen geloof aan hun dromen; ze dromen slechts wat jullie wensen.
Want zo zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël: Laten uw profeten die in uw midden zijn, en uw waarzeggers u niet misleiden, en luistert niet naar uw dromers, die gij laat dromen;
8 Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die gij doet dromen.
8 Zo spreekt de HEER van de machten, de God van Israël: Laat u niet misleiden door de profeten en de waarzeggers die er onder u zijn. Luister niet naar hun dromen.
Wat ze jullie in mijn naam profeteren zijn leugens. Ik heb hen niet gezonden – spreekt de HEER. want zij profeteren u vals in mijn naam; Ik heb hen niet gezonden, luidt het woord des HEREN.
9 Want zij profeteren u valselijk in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, spreekt de HEERE.
9 Ze misbruiken mijn naam om leugens te verkondigen; Ik heb hen niet gezonden – godsspraak van de HEER.
10 Dit zegt de HEER: Als er in Babel zeventig jaar voorbij zijn, zal ik naar jullie omzien. Dan zal ik mijn belofte gestand doen door jullie naar Jeruzalem te laten terugkeren.
10 Want zo zegt de HERE: Neen, als voor Babel zeventig jaren voorbij zullen zijn, dan zal Ik naar u omzien en mijn heilrijk woord aan u in vervulling doen gaan door u naar deze plaats terug te brengen.
10 Want zo zegt de HEERE: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik ulieden bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats.
10 Want zo spreekt de HEER: Pas wanneer de zeventig jaar van Babel voorbij zijn, trek Ik mij uw lot weer aan; Ik vervul de belofte die Ik u deed en breng u terug naar deze plaats.
11 Mijn plan met jullie staat vast – spreekt de HEER. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk: ik zal je een hoopvolle toekomst geven. 11 Want Ik weet, welke gedachten Ik over u koester, luidt het woord des HEREN, gedachten van vrede en niet van onheil, om u een hoopvolle toekomst te geven.
11 Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt de HEERE, gedachten des vredes, en niet des kwaads, dat Ik u geve het einde en de verwachting.
11 Ik ken de plannen die Ik met u heb – godsspraak van de HEER. Ze hebben uw heil op het oog, niet uw ongeluk, en een hoopvolle toekomst.
12 Jullie zullen mij aanroepen en tot mij bidden, en ik zal naar jullie luisteren. 12 Dan zult gij Mij aanroepen en heengaan en tot Mij bidden, en Ik zal naar u horen;
12 Dan zult gij Mij aanroepen,
[29:12] Dan 9.
en henengaan, en tot Mij bidden; en Ik zal naar u horen.
12 Als u Mij aanroept en tot Mij bidt, zal Ik u verhoren.
13 Jullie zullen mij zoeken en ook vinden, als jullie mij tenminste met hart en ziel zoeken. 13 dan zult gij Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij vraagt met uw ganse hart.
13 En gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart.
13 Als u Mij zoekt, met heel uw hart zoekt, zult u Mij vinden,
14 Ik zal me door jullie laten vinden – spreekt de HEER – en ik zal in je lot een keer brengen. Ik zal jullie samenbrengen uit alle volken en plaatsen waarheen ik je verbannen heb – spreekt de HEER – en je laten terugkeren naar Jeruzalem, waaruit ik je heb laten wegvoeren. 14 Dan zal Ik Mij door u laten vinden, luidt het woord des HEREN, en in uw lot een keer brengen; dan zal Ik u verzamelen uit alle volkeren en van alle plaatsen waarheen Ik u verstoten heb, luidt het woord des HEREN, en u terugbrengen naar de plaats vanwaar Ik u in ballingschap heb doen wegvoeren.
14 En Ik zal van ulieden gevonden worden, spreekt de HEERE, en Ik zal uw gevangenis wenden, en u vergaderen
[29:14] Jer 23:3.
uit al de volken, en uit al de plaatsen, waarhenen Ik u gedreven heb, spreekt de HEERE; en Ik zal u wederbrengen tot de plaats, van waar Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren.
14 dan laat Ik mij vinden – godsspraak van de HEER. Ik herstel u weer in uw vroegere staat; uit de versnippering over alle volken en plaatsen breng Ik u weer samen – godsspraak van de HEER. Ik breng u terug naar deze plaats, waaruit Ik u heb weggevoerd.
15 Misschien zeggen jullie: “De HEER heeft ons toch ook in Babel profeten gegeven?”
15 Wanneer gij zegt: De HERE heeft ons in Babel profeten verwekt –
15 Omdat gij zegt: de HEERE heeft ons profeten naar Babel verwekt;
(16)15-20 Zo spreekt de HEER tegen de koning die op de troon van David zit en tegen alle mensen van deze stad, uw volksgenoten, die niet met u in ballingschap zijn gegaan, (17) zo spreekt de HEER van de machten, Ik stuur het zwaard, de honger en de pest op hen af. Ik behandel hen als slechte vijgen, te slecht om te eten. (18) Ik achtervolg hen, met zwaard, honger en pest; Ik maak hen tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken op aarde, een vloek, een verschrikking, een mikpunt van spot en van vernedering, bij de volken waaronder Ik hen verspreid heb, (19) omdat ze niet naar Mij hebben geluisterd – godsspraak van de HEER. Telkens opnieuw heb Ik mijn dienaren de profeten naar u gezonden, maar u hebt niet geluisterd – godsspraak van de HEER. (20) Luister eindelijk naar het woord van de HEER, nu Ik u uit Jeruzalem naar Babel heb verbannen.
(15) Omdat u zegt: “De HEER heeft ons ook in Babel profeten gegeven,”
16 Maar dit zegt de HEER over de koning die op de troon van David zit en over de hele bevolking van Jeruzalem, je volksgenoten die niet met jullie in ballingschap zijn gegaan, 16 neen, zo zegt de HERE van de koning die op de troon van David gezeten is, en van het ganse volk dat in deze stad woont, uw broeders die niet met u in ballingschap gegaan zijn,
16 Daarom zegt de HEERE alzo van den koning, die op Davids troon zit, en van al het volk, dat in deze stad woont, te weten, uw broederen, die met u niet zijn uitgegaan in de gevangenis;
17 dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik stuur het zwaard, de honger en de pest op hen af, ik zal met hen hetzelfde doen als met bedorven vijgen, die niet meer te eten zijn. 17 zo zegt de HERE der heerscharen: Zie, Ik zend het zwaard, de honger en de pest onder hen en Ik maak hen als afschuwelijke vijgen, zo slecht, dat zij niet te eten zijn;
17 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, Ik zal het
[29:17] Jer 24:8, 10.
zwaard, den honger en de pestilentie onder hen zenden; en Ik zal ze maken als de afschuwelijke vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden.
18 Ik zal hen met het zwaard, de honger en de pest achtervolgen en hen tot een afschrikwekkend voorbeeld voor alle koninkrijken op aarde maken. Hun namen zullen als een vloek worden gebruikt, ze zullen afschuw en ontzetting wekken en bespot worden door alle volken waarnaar ik hen zal verbannen. 18 Ik achtervolg hen met het zwaard, de honger en de pest en Ik maak hen tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken der aarde, tot een voorwerp van verwensing, van ontzetting, tot een aanfluiting en een smaad onder alle volken waarheen Ik hen verstoot,
18 En Ik zal ze achterna jagen met het zwaard, met den honger en met de pestilentie; en Ik zal ze overgeven
[29:18] Deut 28:25, 37. Jer 15:4; 24:9 enz.
tot een beroering, allen koninkrijken der aarde, tot een vloek, en tot een schrik, en tot een aanfluiting, en tot een smaadheid, onder al de volken, waar Ik ze henengedreven zal hebben;
19 Want ze hebben niet naar mij geluisterd – spreekt de HEER –, hoewel ik telkens weer mijn dienaren, de profeten, naar hen zond. En ook jullie hebben niet naar mij geluisterd – spreekt de HEER. 19 omdat zij niet naar mijn woorden gehoord hebben, luidt het woord des HEREN, waarmee Ik mijn knechten, de profeten, tot hen zond, vroeg en laat, zonder dat gij gehoord hebt, luidt het woord des HEREN.
19 Omdat zij naar Mijn woorden niet gehoord hebben, spreekt de HEERE, als Ik Mijn knechten, de profeten, tot hen zond, vroeg op zijnde en zendende; maar gijlieden hebt niet gehoord, spreekt de HEERE.
20 Luister naar mijn woorden, ballingen, die ik vanuit Jeruzalem naar Babel heb laten voeren. 20 Hoort gij dan naar het woord des HEREN, o alle ballingen die Ik uit Jeruzalem naar Babel weggezonden heb!
20 Gij dan, hoort des HEEREN woord, gij allen, die gevankelijk zijt weggevoerd, die Ik van Jeruzalem naar Babel heb weggezonden!
21 Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël, over de profeten Achab, de zoon van Kolaja, en Sedekia, de zoon van Maäseja, die in mijn naam leugens profeteren: Ik lever hen uit aan koning Nebukadnessar van Babylonië, die hen voor jullie ogen zal terechtstellen. 21 Zo zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël, van Achab, de zoon van Kolaja, en van Sidkiahu, de zoon van Maäseja, die in mijn naam vals profeteren: Zie, Ik geef hen in de macht van Nebukadressar, de koning van Babel, die hen voor uw ogen ter dood zal brengen,
21 Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls, van Achab, zoon van Kolája, en van Zedekía, zoon van Maäséja, die ulieden in Mijn Naam valselijk profeteren: Ziet, Ik zal hen geven in de hand van Nebukadrézar, den koning van Babel, en hij zal ze voor uw ogen slaan.
21 daarom, zo spreekt de HEER van de machten, de God van Israël, tot Achab, zoon van Kolaja, en tot Sidkia, zoon van Maäseja, lever Ik degenen die mijn naam misbruiken om leugens te verkondigen uit aan koning Nebukadnessar van Babel, die hen voor uw ogen zal doden.
22 En alle Judese ballingen in Babel zullen aan hun lot een vloek ontlenen: “Moge de HEER het je laten vergaan als Sedekia en Achab, die de koning van Babylonië boven het vuur geroosterd heeft.” 22 zodat aan hen een vervloeking zal ontleend worden bij alle ballingen van Juda die in Babel zijn: De HERE doe met u als met Sidkiahu en Achab, die de koning van Babel op het vuur geroosterd heeft! –
22 En van hen zal een vloek genomen worden bij al de gevankelijk weggevoerden van Juda, die in Babel zijn, dat men zegge: De HEERE stelle u als Zedekía, en als Achab, die de koning van Babel aan het vuur braadde;
22 De ballingen van Juda in Babel zullen dan ook als verwensing zeggen: “Moge de HEER met u doen, wat Hij met Sidkia en Achab deed, die door de koning van Babel op het vuur zijn geroosterd”.
23 Want ze hebben iets gedaan dat in Israël een schanddaad is: ze hebben overspel gepleegd met de vrouw van een ander en in mijn naam leugens geprofeteerd, woorden die ik hun niet heb opgedragen te spreken. Ik heb het gezien, ik was er getuige van – spreekt de HEER.’ 23 omdat zij een schandelijke dwaasheid in Israël hebben begaan, overspel hebben gepleegd met de vrouwen van hun naasten en in mijn naam een woord hebben gesproken, dat een leugen was, dat Ik hun niet had opgedragen. Ja, Ik weet het wel en ben er getuige van, luidt het woord des HEREN.
23 Omdat zij een dwaasheid deden in Israël, en overspel bedreven met de vrouwen hunner naasten, en spraken het woord valselijk in Mijn Naam, dat Ik hun niet geboden had; en Ik ben Degene, Die het weet, en een getuige daarvan, spreekt de HEERE.
23 Ze hebben een schanddaad in Israël bedreven en hebben overspel gepleegd met vrouwen van anderen. Ze hebben mijn naam misbruikt om leugens te verkondigen zonder enige opdracht van Mij. Ik weet wat Ik zeg; Ik ben getuige – godsspraak van de HEER.’

24 De HEER richtte zich tot Jeremia met de opdracht om Semaja, de Nechelamiet, het volgende te zeggen:
Tegen Semaja
24 En tot Semaja, de Nechelamiet, moet gij dit zeggen:
Profetie over Semája
24 Tot Semája nu, den Nechelamiet, zult gij spreken, zeggende:
24 Tegen Semaja de Nechelamiet moet u zeggen:
25 ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Je hebt op eigen gezag brieven gestuurd aan de priester Sefanja, de zoon van Maäseja, de overige priesters en de bevolking van Jeruzalem, brieven waarin staat: 25 Zo zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël: Omdat gij in uw naam aan het gehele volk in Jeruzalem en de priester Sefanja, de zoon van Maäseja, en al de priesters een brief gezonden hebt van deze inhoud:
25 Zo spreekt de HEERE der heirscharen, de God Israëls, zeggende: Omdat gij brieven in uw naam gezonden hebt tot al het volk, dat te Jeruzalem is, en tot Zefánja, den zoon van Maäséja, den priester, en tot al de priesteren, zeggende:
25 ‘Zo spreekt de HEER van de machten, de God van Israël: U hebt op eigen gezag aan de bevolking van Jeruzalem, aan de priester Sefanja, zoon van Maäseja, en aan de overige priesters de volgende brief gezonden:
26 “De HEER heeft u tot priester aangesteld; hij heeft u de opvolger van de priester Jojada gemaakt om in de tempel van de HEER de orde te handhaven, dus u moet elke gek die zich voor profeet uitgeeft in het blok sluiten en aan het halsijzer ketenen. 26 De HERE heeft u tot priester aangesteld in de plaats van de priester Jojada, om opziener te zijn in het huis des HEREN over een ieder die waanzinnig is en zich als profeet voordoet en om die in blok en halsijzer te zetten;
26 De HEERE heeft u tot priester gesteld, in plaats van den priester Jójada, dat gij opzieners zoudt zijn in des HEEREN huis over allen man, die onzinnig is, en zich voor een profeet uitgeeft, dat gij dien stelt in de gevangenis
[29:26] Jer 20:1, 2, 3.
en in den stok.
26 “De HEER heeft u tot priester aangesteld, in plaats van Jojada, om toezicht te houden in het huis van de HEER en om iedere idioot die zich als profeet uitgeeft, in het blok te zetten en in boeien te slaan.
27 Waarom bent u dan niet opgetreden tegen Jeremia uit Anatot, die zich bij u voor profeet uitgeeft? 27 maar waarom zijt gij dan niet opgetreden tegen Jeremia uit Anatot, die zich bij u als profeet voordoet? –
27 Nu dan, waarom hebt gij Jeremía, den Anathothiet, niet gescholden, die zich bij ulieden voor een profeet uitgeeft?
27 Waarom bent u dan niet opgetreden tegen Jeremia, de Anatotiet, die zich bij u voor profeet uitgeeft?
28 Hij heeft ons in Babel namelijk een brief gestuurd waarin staat dat de ballingschap nog lang zal duren, dat we huizen moeten bouwen en daarin gaan wonen, tuinen moeten aanleggen en van de opbrengst moeten eten.”’ 28 hij heeft ons in Babel immers de boodschap gezonden: Het zal nog lang duren, bouwt huizen en woont daarin, legt tuinen aan en eet de vrucht daarvan.
28 Want daarom heeft hij tot ons naar Babel gezonden, zeggende: Het zal lang duren; bouwt huizen, en woont daarin, en plant hoven, en eet de vrucht daarvan.
28 Nu heeft hij ons in Babel een brief gestuurd waarin hij zegt: Het duurt nog lang! U moet huizen bouwen en daarin gaan wonen, tuinen aanleggen en er de opbrengst van eten.” ’
29 Nadat de priester Sefanja deze brief aan Jeremia had voorgelezen, 29 De priester Sefanja had namelijk deze brief aan de profeet Jeremia voorgelezen.
29 Zefánja nu, de priester, had dezen brief gelezen voor de oren van den profeet Jeremía.
29 Toen de priester Sefanja deze brief voorlas aan de profeet Jeremia,
30 richtte de HEER zich tot Jeremia: ‘Stuur de volgende brief aan de ballingen: Dit zegt de HEER over Semaja, de Nechelamiet:
30 Het woord des HEREN nu kwam tot Jeremia:
30 Daarom geschiedde des HEEREN woord tot Jeremía, zeggende:
30 kwam het woord van de HEER tot hem:
31 Hij heeft bij jullie geprofeteerd zonder dat ik hem gezonden heb en valse hoop bij jullie gewekt. 31 Zend deze boodschap aan al de ballingen: Zo zegt de HERE van Semaja, de Nechelamiet: Omdat Semaja voor u geprofeteerd heeft, zonder dat Ik hem gezonden heb en u op een leugen heeft doen vertrouwen,
31 Zend henen tot allen, die gevankelijk weggevoerd zijn, zeggende: Zo zegt de HEERE van Semája, den Nechelamiet: Omdat Semája ulieden geprofeteerd heeft, daar Ik hem niet gezonden heb, en heeft gemaakt, dat gij op
[29:31] Jer 28:15.
leugen vertrouwt;
31 ‘Stuur een brief aan alle ballingen en zeg hun: “Zo spreekt de HEER over Semaja de Nechelamiet: Omdat Semaja bij u als profeet optreedt zonder dat Ik hem gezonden heb, en omdat hij bij u ijdele hoop wekt,
32 Daarom – dit zegt de HEER: Ik zal hem en zijn nageslacht straffen. Ze zullen onder dit volk ophouden te bestaan, ze zullen de voorspoed die ik mijn volk zal brengen niet meemaken – spreekt de HEER. Want hij heeft het volk tegen mij opgezet.’ 32 daarom zo zegt de HERE: Zie Ik doe bezoeking aan Semaja, de Nechelamiet, en zijn nageslacht; van de zijnen zal niemand onder dit volk wonen en hij zal het heil niet zien, dat Ik mijn volk breng, luidt het woord des HEREN, omdat hij afval van de HERE gepredikt heeft.
32 Daarom zegt de HEERE alzo: Ziet, Ik zal bezoeking doen over Semája, den Nechelamiet, en over zijn zaad; hij zal niemand hebben, die in het midden dezes volks wone, en zal het goede niet zien, dat Ik Mijn volke doen zal, spreekt de HEERE; want hij heeft een afval
[29:32] Jer 28:16.
gesproken tegen den HEERE.
32 daarom,” zo spreekt de HEER, “zal Ik Semaja uit Nachlam en zijn nageslacht straffen: geen van zijn nakomelingen zal onder mijn volk blijven leven of de weldaden zien die Ik het ga bewijzen – godsspraak van de HEER – want hij heeft opstand tegen de HEER gepreekt.” ’

De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

NBG-vertaling 1951
© 1951 Nederlands Bijbelgenootschap

Statenvertaling (Jongbloed-editie)

Willibrordvertaling (herziene editie 1995)
© 1995 Katholieke Bijbelstichting

Kijkt u ook eens naar:
Voor informatie over hoe het NBG omgaat met de privacy van websitebezoekers: klik hier.
Vragen? Stuur een e-mail naar
info@bijbelgenootschap.nl
visitor stats