|
31
1 Dan zal ik voor elke stam van Israël een God zijn,
dan is Israël mijn volk – spreekt de HEER.
|
31
1 Te dien tijde, luidt het woord des HEREN, zal Ik voor alle geslachten van Israël tot een God zijn en zullen zij Mij tot een volk zijn.
|
31
1 Ter zelfder tijd, spreekt de HEERE, zal Ik allen geslachten Israëls tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn.
|
Er is hoop voor de toekomst
31
1 ‘In die tijd – godsspraak van de HEER – zal Ik de God zijn van alle geslachten van Israël en zij zullen mijn volk zijn.’
|
|
2 Dit zegt de HEER:
In de woestijn kreeg ik Israël lief,
het volk dat aan vernietiging ontkomen was.
Ik ging hun voor en gaf hun vrede.
|
2 Zo zegt de HERE: Het volk der ontkomenen aan het zwaard vond genade in de woestijn, Israël, op weg naar zijn rust.
|
Het nieuwe verbond
2 Zo zegt de HEERE: Het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israël, als Ik henenging om hem tot rust te brengen.
|
2 Zo spreekt de HEER:
‘Het volk dat ontkwam aan het zwaard
vond genade in de woestijn –
Israël, op zoek naar rust.’
|
3 Van ver ben ik naar je toe gekomen, (31:3) ben ik naar je toe gekomen – Voorgestelde lezing. MT: ‘is de HEER naar mij toe gekomen’. vrouwe Israël.
Ik heb je altijd liefgehad,
mijn liefde zal je altijd vergezellen.
|
3 Van verre is de HERE mij verschenen: Ja, Ik heb u liefgehad met eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken in goedertierenheid.
|
3 De HEERE is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.
|
3 De HEER is van verre voor mij verschenen.
Hij zei:
‘Mijn liefde voor u duurt eeuwig,
Ik blijf u altijd gunstig gezind.
|
|
4 Ik breng je weer tot bloei.
Je zult weer dansen in de rei
en de tamboerijnen laten klinken.
|
4 Weder opbouwen zal Ik u, zodat gij gebouwd wordt, jonkvrouw Israëls. Opnieuw zult gij u tooien met tamboerijnen en uittrekken in vrolijke reidans;
|
4 Ik zal u weder bouwen, en gij zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israëls! gij zult weder versierd zijn met uw trommelen, en uitgaan met den rei der spelenden.
|
4 Israël, Ik richt u weer op.
Uw jonge vrouwen slaan weer op de tamboerijn
en gaan vrolijk dansen.
|
|
5 In Samaria’s bergen zul je wijngaarden planten,
en mogen eten van de eerste vruchten.
|
5 gij zult weer wijngaarden planten op de bergen van Samaria, en wie ze planten, zullen ook de vrucht genieten.
|
5 Gij zult weder wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten, en de vrucht genieten.
|
5 U legt weer wijngaarden aan op de bergen van Samaria;
diegenen die ze planten, zullen er de vruchten van eten.
|
|
6 De dag breekt aan
dat in Efraïm de wachters op de bergen roepen:
“Kom, laten we op weg gaan naar de Sion,
naar de HEER, onze God!”
|
6 Want de dag is daar, dat de wachters roepen op het gebergte van Efraïm: Komt, laat ons opgaan naar Sion, tot de HERE, onze God!
|
6 Want er zal een dag zijn, waarin de hoeders op Efraïms gebergte zullen roepen: Maakt ulieden op, en laat ons opgaan naar Sion, tot den HEERE, onzen God!
|
6 De dag breekt aan dat de wachters in het gebergte van Efraïm roepen:
“Kom, wij trekken naar Sion, naar de HEER onze God.”
|
|
7 Dit zegt de HEER:
Juich van vreugde over Jakob,
jubel aan het hoofd van alle volken,
roep het uit, zing een lofzang:
“De HEER heeft zijn volk gered, (31:7) De HEER heeft zijn volk gered – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘ HEER, red uw volk’.
en wat er van Israël nog overbleef bevrijd.”
|
7 Want zo zegt de HERE: Jubelt van vreugd over Jakob, juicht om het hoofd der volkeren, verkondigt, looft en zegt: de HERE heeft zijn volk verlost, het overblijfsel van Israël.
|
7 Want zo zegt de HEERE: Roept luide over Jakob met vreugde, en juicht vanwege het hoofd der heidenen; doet het horen, lofzingt, en zegt: O HEERE! behoud Uw volk, het overblijfsel van Israël.
|
7 Want’, zo spreekt de HEER:
‘Jubel van vreugde om Jakob,
juich om de heerser van de volken.
Verkondig overal Gods lof met deze woorden:
“De HEER heeft redding gebracht over zijn volk,
over wat overbleef van Israël.”
|
|
8 Ik laat hen uit het noorden terugkeren
en breng hen samen van de einden der aarde.
Ook blinden en lammen komen mee,
ook zwangere vrouwen, en vrouwen in barensnood.
In dichte drommen keren ze terug.
|
8 Zie, Ik breng hen uit het land van het noorden en verzamel hen van de einden der aarde; onder hen blinden en lammen, zwangeren en barenden tezamen; in een grote schare zullen zij hierheen terugkeren.
|
8 Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen.
|
8 Ik haal ze terug uit het noorden,
van het einde van de aarde breng Ik ze bijeen;
ook de blinden en de lammen, de zwangere en barende vrouwen.
In dichte drommen keren zij terug.
|
|
9 Zij komen terug in tranen,
ze heffen smeekbeden aan,
en ik zal hen leiden.
Ik breng hen naar stromende beken
en voer hen over geëffende wegen;
daar kunnen zij niet struikelen.
Want ik ben voor Israël een vader,
en Efraïm is mijn eerstgeboren zoon.
|
9 Onder geween zullen zij komen en onder smeking zal Ik hen leiden; Ik zal hen voeren naar waterbeken op een effen weg, waarop zij niet struikelen. Want Ik ben Israël tot een vader, en Efraïm, die is mijn eerstgeborene.
|
9 Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechten weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israël tot een Vader, en Efraïm is Mijn eerstgeborene.
|
9 Bedroefd gingen zij heen, getroost leid Ik hen terug.
Ik voer hen naar stromende beken, over gebaande wegen
waarop ze niet struikelen.
Ik ben immers Israëls vader en Efraïm is mijn eerstgeborene.’
|
|
10 Volken, luister naar de woorden van de HEER,
vertel het verder op de verste eilanden:
Hij die Israël verstrooid heeft,
zal het samenbrengen en het hoeden,
zoals een herder zijn kudde.
|
10 Hoort het woord des HEREN, o volken, verkondigt het in verre kustlanden en zegt: Hij, die Israël verstrooide, zal het verzamelen en het behoeden als een herder zijn kudde.
|
10 Hoort des HEEREN woord, gij heidenen! en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt: Hij, Die Israël verstrooid heeft, zal hem weder vergaderen, en hem bewaren als een herder zijn kudde.
|
10 Volken, luister naar het woord van de HEER,
maak het op de verste eilanden bekend:
‘Hij die het volk van Israël verstrooid
heeft, brengt het ook weer bijeen.
Hij hoedt het zoals een herder zijn kudde.
|
|
11 Want de HEER verlost het volk van Jakob,
hij bevrijdt hen uit de hand die sterker was dan zij.
|
11 Want de HERE maakt Jakob vrij en verlost hem uit de macht van wie sterker is dan hij.
|
11 Want de HEERE heeft Jakob vrijgekocht, en Hij heeft hem verlost uit de hand desgenen, die sterker was dan hij.
|
11 De HEER heeft Jakob verlost
en uit de hand van zijn overheersers vrijgekocht.
|
|
12 Zij komen juichend naar de Sion,
stralend van vreugde om de gaven van de HEER:
koren, wijn, olijfolie,
en geiten, schapen, koeien.
Zij gedijen als een waterrijke hof,
nooit meer zal het hun aan iets ontbreken.
|
12 Zo komen zij jubelend op de hoogte van Sion en stromen toe naar het goede des HEREN, naar koren, most en olie, naar schapen en runderen; hun ziel zal zijn als een besproeide hof, zij zullen nooit meer versmachten.
|
12 Dies zullen zij komen, en op de hoogte van Sion juichen, en toevloeien tot des HEEREN goed, tot het koren, en tot den most, en tot de olie, en tot de jonge schapen en runderen; en hun ziel zal zijn als een gewaterde hof, en zij zullen voortaan niet meer treurig zijn.
|
12 Zingend trekken zij naar de hoogten van Sion,
stralend van vreugde om de goede gaven van de HEER,
om het koren, de most en de olie, de schapen en de runderen.
Ze voelen zich als een besproeide tuin die het nooit aan water ontbreekt.
|
|
13 Meisjes dansen vrolijk in de rei,
jongens en grijsaards dansen mee.
Hun rouw verander ik in vreugde, ik troost hen,
hun verdriet vergeten zij.
|
13 Dan verheugt zich het meisje in de reidans, jongelingen en grijsaards tezamen. Ik verander hun rouw in vreugde. Ik troost en verblijd hen na hun smart.
|
13 Dan zal zich de jonkvrouw verblijden in den rei, daartoe de jongelingen en ouden te zamen; want Ik zal hunlieder rouw in vrolijkheid veranderen, en zal hen troosten, en zal hen verblijden naar hun droefenis.
|
13 Dan dansen de meisjes van vreugde;
de mannen doen mee, jong en oud.
Hun droefheid verander Ik in blijdschap,
Ik troost hen en geef hun vreugde na verdriet.
|
|
14 De priesters schenk ik overvloedig offervlees.
Ik overstelp mijn volk met al het goede
– spreekt de HEER.
|
14 Ik laaf de ziel der priesters met het vette en mijn volk wordt met het goede van Mij verzadigd, luidt het woord des HEREN.
|
14 En Ik zal de ziel der priesteren met vettigheid dronken maken; en Mijn volk zal met Mijn goed verzadigd worden, spreekt de HEERE.
|
14 Ik schenk de priesters veel vet van de offers
en het volk overstelp Ik met mijn gaven
– godsspraak van de HEER.’
|
|
15 Dit zegt de HEER:
In Rama hoort men klagen, bitter treuren.
Rachel beweent haar zonen,
zij wil niet worden getroost.
Haar kinderen zijn er niet meer.
|
15 Zo zegt de HERE: Hoor, te Rama klinkt een klacht, bitter geween: Rachel weent om haar kinderen, zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat er geen meer is.
|
15 Zo zegt de HEERE: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn.
|
15 Zo spreekt de HEER:
‘Luister naar het klagen in Rama,
het droeve geween:
Rachel jammert om haar kinderen
en wil niet worden getroost,
omdat ze er niet meer zijn.’
|
|
16 Maar dit zegt de HEER:
Huil niet langer, droog je tranen.
Je zorg voor hen wordt nu beloond
– spreekt de HEER.
Ze keren terug uit het land van de vijand.
|
16 Zo zegt de HERE: Weerhoud uw stem van wenen, uw ogen van tranen; want er is loon voor uw arbeid, luidt het woord des HEREN, zij zullen terugkeren uit het land van de vijand.
|
16 Zo zegt de HEERE: Bedwing uw stem van geween, en uw ogen van tranen; want er is loon voor uw arbeid, spreekt de HEERE; want zij zullen uit des vijands land wederkomen.
|
16 Zo spreekt de HEER:
‘Hou op met wenen, droog uw tranen.
Er is een oplossing voor uw lijden
– godsspraak van de HEER:
zij keren terug
uit het land van de vijand.
|
|
17 Je hebt een hoopvolle toekomst,
je kinderen keren naar hun eigen land terug
– spreekt de HEER.
|
17 Ja, er is hoop voor uw toekomst, luidt het woord des HEREN, de kinderen zullen naar hun gebied terugkeren.
|
17 En er is verwachting voor uw nakomelingen, spreekt de HEERE; want uw kinderen zullen wederkomen tot hun landpale.
|
17 Er is hoop voor de toekomst:
zij komen terug naar hun eigen land.
|
|
18 Ik heb wel gehoord hoe Efraïm treurt:
“U hebt mij geslagen als een jonge os
die nog niet is afgericht.
Breng mij bij u terug, laat mij terugkeren,
want u, HEER, bent mijn God.
|
18 Ik heb werkelijk Efraïm horen klagen: Gij hebt mij getuchtigd, als een ongetemd kalf werd ik getuchtigd; bekeer mij, dan zal ik mij bekeren, want Gij, HERE, zijt mijn God.
|
18 Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt, zeggende: Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf. Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de HEERE, mijn God!
|
18 Ik hoor Efraïm steeds klagen:
“U hebt mij geslagen
om mij als een wilde stier te temmen.
Breng mij nu terug, HEER,
U bent toch mijn God.
|
|
19 Ik ben tot inkeer gekomen,
ik sla mijzelf nu ik mijn hart doorzie.
Ik ben vol berouw, ik schaam mij diep,
ga gebukt onder de zonden van mijn jeugd.”
|
19 Want nadat ik tot inkeer ben gekomen, heb ik berouw gekregen; nadat ik tot inzicht gekomen ben, heb ik mij op de heup geslagen; ik ben beschaamd, ja, ook te schande geworden, want ik heb de smaad van mijn jeugd gedragen.
|
19 Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelven ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt, ik ben beschaamd, ja, ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb.
|
19 Ik ben nu bekeerd en heb berouw;
ik ben tot bezinning gekomen
en sla mij op de borst.
Ik sta diep beschaamd
en ga gebukt onder de zonden van mijn jeugd.”
|
|
20 Is Efraïm niet mijn geliefde zoon,
is hij niet mijn oogappel?
Telkens als ik over hem spreek
rijst zijn beeld in mij op,
dan raak ik diep bewogen.
Ik móet mij over hem ontfermen
– spreekt de HEER.
|
20 Is Efraïm Mij een lievelingszoon, een troetelkind, dat Ik, zo vaak als Ik van hem spreek, gedurig weder aan hem denken moet? Daarom is mijn binnenste over hem ontroerd, Ik zal Mij zeker over hem ontfermen, luidt het woord des HEREN.
|
20 Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstelijk aan hem; daarom rommelt Mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zijner zekerlijk ontfermen, spreekt de HEERE.
|
20 Is mijn dierbare zoon Efraïm
Mij dan zo lief en zo dierbaar,
dat Ik na ieder hard woord
toch aan hem blijf denken,
en zo met hem meevoel,
dat Ik mij weer over hem zal ontfermen?
– godsspraak van de HEER.’
|
|
21 Zet mijlpalen neer,
plaats bakens,
richt je aandacht op de weg die je volgt.
Keer terug, vrouwe Israël,
keer terug naar je steden.
|
21 Richt u merkstenen op, zet u wegwijzers neer, zet uw hart op de heerbaan, de weg die gij gaat; keer terug, jonkvrouw Israëls, keer terug naar uw steden hier!
|
21 Richt u merktekenen op, stel u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op den weg, dien gij gewandeld hebt; keer weder, o jonkvrouw Israëls, keer weder tot deze uw steden!
|
21 Zet bakens uit, richt mijlpalen op,
let goed op de weg die u volgt.
Keer terug, Israël,
jonkvrouw, keer terug naar uw steden.
|
|
22 Hoe lang nog blijf je talmen,
hoe lang nog blijf je eigenzinnig, vrouwe Israël?
De HEER zal iets nieuws op aarde scheppen:
een vrouw maakt een man het hof.
|
22 Hoelang zult gij aarzelen, o afkerige dochter? Want de HERE schept iets nieuws op aarde: de vrouw zal de man omvangen.
|
22 Hoe lang zult gij u onttrekken, gij afkerige dochter? Want de HEERE heeft wat nieuws op de aarde geschapen: de vrouw zal den man omvangen.
|
22 Waarom zoekt u steeds uw eigen weg, opstandige?
De HEER schept iets nieuws op aarde:
een vrouw zoekt een man.
|
|
23 Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik zal hun lot ten goede keren, en dan zal in de steden van Juda, in het hele land, opnieuw te horen zijn: “Moge de HEER je zegenen, Jeruzalem, woonplaats van gerechtigheid, heilige berg!”
|
23 Zo zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël: Wederom zal men dit woord zeggen in het land van Juda en in zijn steden, wanneer Ik een keer heb gebracht in hun lot: De HERE zegene u, rechtvaardige woonstede, heilige berg!
|
23 Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Dit woord zullen zij nog zeggen in het land van Juda, en in zijn steden, als Ik hun gevangenis wenden zal: De HEERE zegene u, gij woning der gerechtigheid, gij berg der heiligheid!
|
23 Zo spreekt de HEER van de machten, de God van Israël: ‘Wanneer Ik hen in hun vroegere staat herstel, zullen ze in de steden van Juda weer zeggen: “De HEER zegene u, zetel van gerechtigheid, heilige berg.”
|
|
24 Stedelingen, boeren en herders zullen weer in Juda wonen.
|
24 Daar zal Juda wonen met al zijn steden tezamen, landbouwers en die met de kudde uittrekken;
|
24 En Juda, mitsgaders al zijn steden, zullen te zamen daarin wonen; de akkerlieden, en die met de kudde reizen.
|
24 Heel Juda woont daar weer samen: stedelingen, boeren en herders.
|
|
25 Wie dorstig zijn, zal ik verkwikken; wie uitgeput zijn, geef ik kracht.’
|
25 want Ik verkwik de vermoeide ziel, elke versmachtende ziel verzadig Ik.
|
25 Want Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige ziel vervuld.
|
25 Degenen die uitgeput waren, verkwik Ik, Ik les de dorst van hen die versmachten.’
|
|
26 Hierop ontwaakte ik en sloeg mijn ogen op. De slaap had mij goedgedaan.
|
26 Hierbij ontwaakte ik en zag op; mijn slaap was zo zoet.
|
26 (Hierop ontwaakte ik, en zag toe, en mijn slaap was mij zoet.)
|
26 Daarop werd ik wakker, ik had een visioen en opnieuw overviel mij de slaap.
|
|
27 ‘De dag zal komen – spreekt de HEER – dat ik Israël en Juda zal inzaaien met mensen en met dieren.
|
27 Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda bezaai met zaad van mensen en zaad van dieren;
|
27 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en zaad van beesten.
|
27 ‘De tijd komt – godsspraak van de HEER – dat Ik Israël en Juda weer met mensen en dieren bevolk.
|
|
28 Zoals ik niet aarzelde om hen uit te rukken en te verwoesten, af te breken, kwaad te doen en te vernietigen, zo zal ik niet aarzelen om hen te planten en op te bouwen – spreekt de HEER.
|
28 en het zal gebeuren, zoals Ik wakker ben geweest om hen uit te rukken en af te breken, te verwoesten en te verdelgen en rampen over hen te brengen, zo zal Ik wakker zijn om hen te bouwen en te planten, luidt het woord des HEREN.
|
28 En het zal geschieden, gelijk als Ik over hen gewaakt heb, om uit te rukken, en af te breken, en te verstoren, en te verderven, en kwaad aan te doen; alzo zal Ik over hen waken, om te bouwen en te planten, spreekt de HEERE.
|
28 Eerst had Ik er alles op gezet hen weg te rukken en af te breken, hen te verwoesten en te vernielen, met ramp op ramp, maar nu heb Ik er alles op gezet om hen op te bouwen en te planten – godsspraak van de HEER.
|
|
29 Dan zal men niet meer zeggen: “Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden,”
|
29 In die dagen zal men niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn slee geworden.
|
29 In die dagen zullen zij niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en der kinderen tanden zijn stomp geworden.
|
29 In die tijd zegt men niet meer:
“De vaders eten onrijpe druiven,
en de tanden van de kinderen zijn er stroef van.”
|
|
30 maar zal wie zondigt om zijn eigen zonden sterven. Wanneer iemand onrijpe druiven eet, zullen zijn eigen tanden stroef worden.
|
30 Maar ieder zal om zijn eigen ongerechtigheid sterven; ieder die onrijpe druiven eet, diens tanden zullen slee worden.
|
30 Maar een iegelijk zal om zijn ongerechtigheid sterven; een ieder mens, die de onrijpe druiven eet, zijn tanden zullen stomp worden.
|
30 Nee! Iedereen sterft door zijn eigen schuld. Iedereen die onrijpe druiven eet, krijgt zelf stroeve tanden.
|
|
31 De dag zal komen – spreekt de HEER – dat ik met het volk van Israël en het volk van Juda een nieuw verbond sluit,
|
31 Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal.
|
31 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken;
|
31 Er komen dagen – godsspraak van de HEER – dat Ik met Israël en Juda een nieuw verbond sluit;
|
|
32 een ander verbond dan ik met hun voorouders sloot toen ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte weg te leiden. Zij hebben dat verbond verbroken, hoewel ze mij toebehoorden – spreekt de HEER.
|
32 Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik heer over hen ben, luidt het woord des HEREN.
|
32 Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE;
|
32 geen verbond zoals Ik met hun voorvaderen gesloten heb, toen Ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte te leiden. Want dit verbond hebben zij verbroken hoewel Ik hun meester was – godsspraak van de HEER.
|
|
33 Maar dit is het verbond dat ik in de toekomst met Israël zal sluiten – spreekt de HEER: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal ik hun God zijn en zij mijn volk.
|
33 Maar dít is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des HEREN: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.
|
33 Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
|
33 Dit is het nieuwe verbond dat Ik in de toekomst met Israël sluit – godsspraak van de HEER: Ik schrijf mijn Wet in hun binnenste, Ik grif die in hun hart. Ik zal hun God zijn, en zij zullen mijn volk zijn.
|
|
34 Men zal elkaar niet meer hoeven te onderwijzen met de woorden: “Leer de HEER kennen,” want iedereen, van groot tot klein, kent mij dan al – spreekt de HEER. Ik zal hun zonden vergeven en nooit meer denken aan wat ze hebben misdaan.
|
34 Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de HERE: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord des HEREN, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken.
|
34 En zij zullen niet meer, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder, leren, zeggende: Kent den HEERE! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken.
|
34 Dan zal niemand meer zijn medeburger onderrichten, noch tegen zijn broeder zeggen: “Leer de HEER kennen.” Want iedereen, groot en klein, kent Mij al – godsspraak van de HEER. Ik vergeef hun misstappen, Ik denk niet meer aan hun zonden.’
|
|
35 Dit zegt de HEER,
die de zon heeft gemaakt als het licht voor de dag,
de maan en sterren als de lichten voor de nacht,
die de zee opzweept, zodat de golven bruisen,
wiens naam is HEER van de hemelse machten:
|
35 Zo zegt de HERE, die de zon overdag tot een licht geeft, die de maan en de sterren verordent tot een licht des nachts, die de zee opzweept, dat haar golven bruisen, wiens naam is HERE der heerscharen:
|
35 Zo zegt de HEERE, Die de zon ten lichte geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren ten lichte des nachts, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, HEERE der heirscharen is Zijn Naam:
|
35 Zo spreekt de HEER,
die de zon heeft gegeven als het licht voor de dag,
de maan en de sterren als het licht in de nacht;
die de zee opzweept zodat de golven bruisen,
die de HEER van de machten heet:
|
|
36 Pas als deze orde ophoudt te bestaan
– spreekt de HEER –
bestaat ook Israël niet meer,
is het niet meer voor altijd mijn volk.
|
36 Als deze verordeningen voor mijn ogen zullen wankelen, luidt het woord des HEREN, dan zal ook het nageslacht van Israël ophouden al de dagen een volk te zijn voor mijn ogen.
|
36 Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt de HEERE, zo zal ook het zaad Israëls ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen.
|
36 ‘Als deze orde ophoudt te bestaan
– godsspraak van de HEER –
dan blijft ook Israël niet langer mijn volk.’
|
|
37 Dit zegt de HEER:
Zoals de hoogte van de hemel niet gemeten wordt,
de diepte van het fundament der aarde niet gepeild,
zo verwerp ik niet het nageslacht van Israël
om alles wat het heeft misdaan
– spreekt de HEER.
|
37 Zo zegt de HERE: Als de hemel boven te meten is en de fundamenten der aarde beneden na te speuren zijn, dan zal Ik heel het nageslacht van Israël verwerpen om al hetgeen zij gedaan hebben, luidt het woord des HEREN.
|
37 Zo zegt de HEERE: Indien de hemelen daarboven gemeten, en de fondamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het ganse zaad Israëls verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, spreekt de HEERE.
|
37 Zo spreekt de HEER:
‘Evenmin als iemand de hemel boven kan meten
of de grondvesten van de aarde beneden kan peilen,
evenmin verwerp Ik ooit de nakomelingen van Israël,
ondanks alles wat het misdaan heeft
– godsspraak van de HEER.’
|
|
38 De dag zal komen – spreekt de HEER – dat Jeruzalem wordt herbouwd en aan mij wordt gewijd. Dan loopt de muur weer vanaf de Chananeltoren tot aan de Hoekpoort,
|
38 Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat de stad voor de HERE opgebouwd wordt, van de Chananeltoren af tot aan de Hoekpoort;
|
38 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat deze stad den HEERE zal herbouwd worden, van den toren Hanáneël af tot aan de Hoekpoort.
|
38 ‘De tijd komt – godsspraak van de HEER – dat de stad van de HEER wordt herbouwd, van de toren van Chananel tot aan de Hoekpoort.
|
|
39 en vanaf dat punt zal hij worden verlengd naar de Gareb, en dan een bocht naar Goa maken.
|
39 dan gaat het meetsnoer verder rechtuit tot aan de heuvel Gareb en wendt zich naar Goa;
|
39 En het meetsnoer zal wijders nevens dezelve uitgaan tot aan den heuvel Gareb, en zich naar Goath omwenden.
|
39 Nog verder loopt het meetlint, rechtdoor, tot de hoogte van Gareb, voordat het afbuigt naar Goa.
|
|
40 Hij zal om de vallei lopen waar de doden worden begraven en de as wordt uitgestrooid, en verder om alle akkers tot aan het Kidrondal. Van daar loopt hij naar de hoek van de Paardenpoort in het oosten. Heel dit gebied zal aan de HEER zijn gewijd, en Jeruzalem zal nooit meer worden afgebroken en verwoest.’
|
40 en het gehele lijkendal met de as, en al de velden tot aan de beek Kidron, tot aan de hoek van de Paardenpoort oostwaarts, zal de HERE heilig zijn; er zal niet weer vernield en verwoest worden in eeuwigheid.
|
40 En het ganse dal der dode lichamen en der as, en al de velden tot aan de beek Kidron, tot aan den hoek van de Paardenpoort tegen het oosten, zal den HEERE een heiligheid zijn; er zal niets weder uitgerukt, noch afgebroken worden in eeuwigheid.
|
40 Heel het dal met de lijken en de as, heel het gebied langs de Kedron tot aan de hoek van de Paardenpoort in het oosten, wordt aan de HEER gewijd. Het wordt nooit meer vernield of verwoest.’
|
De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap
|
NBG-vertaling 1951
© 1951 Nederlands Bijbelgenootschap |
Statenvertaling (Jongbloed-editie)
|
Willibrordvertaling (herziene editie 1995)
© 1995 Katholieke Bijbelstichting |