|
3
1 Daarna (3:1-5) In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 2:28-32. zal zich dit voltrekken:
Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft.
Jullie zonen en dochters zullen profeteren,
oude mensen zullen dromen dromen,
en jongeren zullen visioenen zien;
|
Het gericht over Israëls vijanden
3
1 Want zie, in die dagen en te dien tijde, wanneer Ik een keer zal brengen in het lot van Juda en van Jeruzalem,
|
Profetie van Gods strafgericht over de vijanden Zijner Kerk
3
1 Want ziet, in die dagen en te dier tijd, als Ik de gevangenis van Juda en Jeruzalem zal wenden;
|
3
1 Daarna zal het gebeuren:
Ik zal mijn geest uitgieten over alle mensen,
profeteren zullen uw zonen en uw dochters,
uw ouderen zullen dromen krijgen,
uw jonge mannen zullen visioenen zien.
|
|
2 zelfs over slaven en slavinnen
zal ik in die tijd mijn geest uitgieten.
|
2 zal Ik alle volken verzamelen en afvoeren naar het dal van Josafat, en Ik zal aldaar met hen in het gericht treden ter oorzake van mijn volk en van mijn erfdeel Israël, dat zij onder de volken verstrooid hebben, terwijl zij mijn land verdeelden,
|
2 Dan zal Ik alle heidenen vergaderen, en zal hen afvoeren in het dal van Jósafat; en Ik zal met hen aldaar richten, vanwege Mijn volk en Mijn erfdeel Israël, dat zij onder de heidenen hebben verstrooid, en Mijn land gedeeld;
|
2 Zelfs over de dienaren en de dienaressen
giet Ik mijn geest uit in die dagen.
|
|
3 Dan zal ik tekenen geven
aan de hemel en op aarde:
bloed en vuur en zuilen van rook,
|
3 en over mijn volk het lot wierpen, en een jongen gaven voor een hoer en een meisje verkochten voor wijn, opdat zij konden drinken.
|
3 En hebben het lot over Mijn volk geworpen en een knechtje gegeven om een hoer, en een meisje verkocht om wijn, dat zij mochten drinken.
|
3 Ik zal wonderen verrichten
in de hemel en op de aarde:
bloed, vuur en zuilen van rook.
|
|
4 de zon verandert in duisternis
en de maan in bloed.
Dan komt de dag van de HEER,
groot en ontzagwekkend.
|
4 En voorts, wat wilt gij van Mij, gij Tyrus en Sidon en alle landstreken van Filistea? Wilt gij Mij vergelding bewijzen? Maar indien gij het Mij vergelden wilt, snel, ijlings zal Ik de vergelding op uw eigen hoofd doen nederdalen.
|
4 En ook, wat hebt gij met Mij te doen, gij Tyrus en Sidon, en alle grenzen van Palestina! Zoudt gij Mij een vergelding wedergeven? Maar zo gij Mij wilt vergelden, lichtelijk, haastelijk, zal Ik uw vergelding op uw hoofd wederbrengen.
|
4 De zon zal veranderen in duisternis,
de maan in bloed,
voordat de dag van de HEER komt,
de grote, angstwekkende dag.
|
|
5 Dan zal ieder die de naam van de HEER aanroept ontkomen:
op de Sion, in Jeruzalem, is een toevlucht te vinden,
zoals de HEER heeft beloofd;
ieder die hij roept zal worden gered.
|
5 Want gij hebt mijn zilver en mijn goud weggenomen, mijn kostbare schatten naar uw tempels gebracht,
|
5 Omdat gij Mijn zilver en Mijn goud hebt weggenomen, en hebt Mijn beste kleinodiën in uw tempels gebracht.
|
5 Zo zal het gaan:
ieder die de naam van de HEER aanroept, zal worden gered.
Want op de berg Sion en in Jeruzalem zal de redding zijn,
zoals de HEER gezegd heeft.
En zij die door de HEER worden geroepen,
zullen degenen zijn die ontkomen.
|
De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap
|
NBG-vertaling 1951
© 1951 Nederlands Bijbelgenootschap |
Statenvertaling (Jongbloed-editie)
|
Willibrordvertaling (herziene editie 1995)
© 1995 Katholieke Bijbelstichting |