|
De goede herder
10
1 ‘Waarachtig, ik verzeker u: wie de schaapskooi niet binnengaat door de deur maar ergens anders naar binnen klimt, is een dief of een rover.
|
De goede Herder
10
1 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie niet door de deur de schaapskooi binnenkomt, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover;
|
Gelijkenis van den goeden Herder
10
1 Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Die niet ingaat door de deur in den stal der schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar.
|
10
1 Waarachtig, Ik verzeker u: wie niet door de deur de hof van de schapen binnenkomt, maar naar binnen klimt op een andere plaats, kan alleen maar een dief zijn en een bandiet.
|
|
2 Wie door de deur naar binnen gaat, is de herder van de schapen.
|
2 maar wie door de deur binnenkomt, is de herder der schapen.
|
2 Maar die door de deur ingaat, is een herder der schapen.
|
2 Wie wel door de deur binnenkomt, is de herder van de schapen.
|
|
3 Voor hem doet de bewaker open. De schapen luisteren naar zijn stem, hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten.
|
3 Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen naar zijn stem en hij roept zijn eigen schapen bij name en voert ze naar buiten.
|
3 Dezen doet de deurwachter open, en de schapen horen zijn stem; en hij roept zijn schapen bij name, en leidt ze uit.
|
3 Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen zijn stem. Zijn schapen roept hij ieder bij zijn naam, en hij brengt ze naar buiten.
|
|
4 Wanneer hij al zijn schapen naar buiten gebracht heeft, loopt hij voor ze uit en de schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen.
|
4 Wanneer hij zijn eigen schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen;
|
4 En wanneer hij zijn schapen uitgedreven heeft, zo gaat hij voor hen heen; en de schapen volgen hem, overmits zij zijn stem kennen.
|
4 En als hij zijn schapen allemaal naar buiten heeft gebracht, trekt hij voor hen uit, en de schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen.
|
|
5 Iemand anders volgen ze niet, ze lopen juist van hem weg omdat ze de stem van een vreemde niet kennen.’
|
5 maar een vreemde zullen zij voorzeker niet volgen, doch zij zullen van hem weglopen, omdat zij de stem der vreemden niet kennen.
|
5 Maar een vreemde zullen zij geenszins volgen, maar zullen van hem vlieden; overmits zij de stem des vreemden niet kennen.
|
5 Een vreemde echter zullen ze nooit volgen; integendeel, ze gaan voor hem op de vlucht, omdat ze de stem van vreemden niet kennen.’
|
|
6 Jezus vertelde hun deze gelijkenis, maar ze begrepen niet wat hij bedoelde.
|
6 In dit beeld sprak Jezus tot hen, maar zij begrepen niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak.
|
6 Deze gelijkenis zeide Jezus tot hen; maar zij verstonden niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak.
|
6 In deze versluierende taal sprak Jezus hen toe, maar ze begrepen niet wat Hij hun te zeggen had.
|
|
7 Hij ging verder: ‘Waarachtig, ik verzeker u: ik ben de deur voor de schapen.
|
7 Jezus zeide dan nogmaals: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen.
|
7 Jezus dan zeide wederom tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Ik ben de Deur der schapen.
|
7 Jezus ging dus verder: ‘Waarachtig, Ik verzeker u: Ik ben de deur voor de schapen.
|
|
8 Wie vóór mij kwamen waren allemaal dieven en rovers, maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd.
|
8 Allen, die vóór Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben naar hen niet gehoord.
|
8 Allen, zovelen als er voor Mij zijn gekomen, zijn dieven en moordenaars; maar de schapen hebben hen niet gehoord.
|
8 Al degenen die vóór Mij zijn gekomen, zijn dieven en bandieten, naar hen hebben de schapen niet geluisterd.
|
|
9 Ik ben de deur: wanneer iemand door mij binnenkomt zal hij gered worden; hij zal in en uit lopen, en hij zal weidegrond vinden.
|
9 Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.
|
9 Ik ben de Deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden.
|
9 Ik ben de deur; wie door Mij binnenkomt zal gered worden: die kan vrij in en uit gaan en zal weidegrond vinden.
|
|
10 Een dief komt alleen om te roven, te slachten en te vernietigen, maar ik ben gekomen om hun het leven te geven in al zijn volheid.
|
10 De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed.
|
10 De dief komt niet, dan opdat hij stele, en slachte, en verderve; Ik ben gekomen, opdat zij het leven hebben, en overvloed hebben.
|
10 Een dief komt alleen maar om te roven en te slachten, en om verloren te laten gaan; Ik ben gekomen opdat ze leven mogen bezitten, en wel in overvloed.
|
|
11 Ik ben de goede herder. Een goede herder geeft zijn leven voor de schapen.
|
11 Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen;
|
11 Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen.
|
11 Ik ben de goede herder. Een goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen.
|
|
12 Een huurling, iemand die geen herder is, en die niet de eigenaar van de schapen is, laat de schapen in de steek en slaat op de vlucht zodra hij een wolf ziet aankomen. De wolf valt de kudde aan en jaagt de schapen uiteen;
|
12 maar wie huurling is en geen herder, wie de schapen niet toebehoren, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht – en de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen –
|
12 Maar de huurling, en die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn, ziet den wolf komen, en verlaat de schapen, en vliedt; en de wolf grijpt ze, en verstrooit de schapen.
|
12 Maar een huurling, geen echte herder dus, als die een wolf ziet komen, laat hij de schapen in de steek en gaat ervandoor – het zijn zijn eigen schapen niet! – en de wolf overvalt ze en drijft ze uiteen.
|
|
13 de man is een huurling en de schapen kunnen hem niets schelen.
|
13 want hij is een huurling en de schapen gaan hem niet ter harte.
|
13 En de huurling vliedt, overmits hij een huurling is, en heeft geen zorg voor de schapen.
|
13 Hij is immers een huurling en bekommert zich niet om de schapen.
|
|
14 Ik ben de goede herder. Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen mij,
|
14 Ik ben de goede herder en Ik ken de mijne en de mijne kennen Mij,
|
14 Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en worde van de Mijnen gekend.
|
14 Ik ben de goede herder: Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen Mij,
|
|
15 zoals de Vader mij kent en ik de Vader ken. Ik geef mijn leven voor de schapen.
|
15 gelijk Mij de Vader kent en Ik de Vader ken, en Ik zet mijn leven in voor de schapen.
|
15 Gelijkerwijs de Vader Mij kent, alzo ken Ik ook den Vader; en Ik stel Mijn leven voor de schapen.
|
15 zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken; Ik geef dan ook mijn leven voor mijn schapen.
|
|
16 Maar ik heb ook nog andere schapen, die niet uit deze schaapskooi komen. Ook die moet ik hoeden, ook zij zullen naar mijn stem luisteren: dan zal er één kudde zijn, met één herder.
|
16 Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder.
|
16 Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden één kudde, en één Herder.
|
16 Ik heb nog andere schapen dan die uit deze hof. Ook voor hen moet Ik een herder zijn: ze zullen luisteren naar mijn stem. Zo wordt het: één kudde met één herder.
|
|
17 De Vader heeft mij lief omdat ik mijn leven geef, om het ook weer terug te nemen.
|
17 Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven afleg om het weder te nemen.
|
17 Daarom heeft mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme.
|
17 Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik mijn leven geef, om het daarna weer terug te nemen.
|
|
18 Niemand neemt mijn leven, ik geef het zelf. Ik ben vrij om het te geven en om het weer terug te nemen – dat is de opdracht die ik van mijn Vader heb gekregen.’
|
18 Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af. Ik heb macht het af te leggen en macht het weder te nemen; dit gebod heb Ik van mijn Vader ontvangen.
|
18 Niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen.
|
18 Niemand neemt het Mij af, Ik geef het uit eigen vrije wil. Daartoe immers heb Ik de macht, zowel om het te geven als om het terug te nemen. Dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb ontvangen.’
|
|
19 Opnieuw ontstond er verdeeldheid onder de Joden om wat hij zei.
|
19 Er ontstond opnieuw verdeeldheid onder de Joden om die woorden.
|
19 Er werd dan wederom tweedracht onder de Joden, om dezer woorden wil.
|
19 Door deze woorden ontstond er weer verdeeldheid onder de Joden.
|
|
20 Veel mensen zeiden: ‘Hij is bezeten, hij is gek. Waarom luisteren jullie nog naar hem?’
|
20 En velen van hen zeiden: Hij is bezeten en waanzinnig; waarom luistert gij naar Hem?
|
20 En velen van hen zeiden: Hij heeft den duivel, en is uitzinnig; wat hoort gij Hem?
|
20 ‘Hij is bezeten, Hij raaskalt,’ zeiden velen. ‘Waarom luisteren jullie nog naar Hem?’
|
|
21 Maar anderen zeiden: ‘Dit zijn niet de woorden van iemand die bezeten is, en een demon kan de ogen van blinden niet openen.’
|
21 Anderen zeiden: Dit zijn geen woorden voor een bezetene, een boze geest kan toch de ogen van blinden niet openen?
|
21 Anderen zeiden: Dit zijn geen woorden eens bezetenen; kan ook de duivel der blinden ogen openen?
|
21 Maar anderen zeiden: ‘Dit is geen taal van een bezetene. Een bezetene kan toch de ogen van blinden niet openen?’
|
|
Geloof en ongeloof
22 In Jeruzalem werd het feest van de Tempelwijding gevierd; het was winter.
|
Het feest der tempelvernieuwing
22 Toen kwam het Vernieuwingsfeest te Jeruzalem; het was winter.
|
Jezus op het feest der tempelwijding
22 En het was het feest der vernieuwing des tempels te Jeruzalem; en het was winter.
|
Geloof en ongeloof
22 Toen werd in Jeruzalem het feest van de tempelwijding gevierd. Het was winter,
|
|
23 Jezus liep in de tempel, in de zuilengang van Salomo.
|
23 En Jezus wandelde in de tempel, in de zuilengang van Salomo.
|
23 En Jezus wandelde in den tempel, in het voorhof van Sálomo.
|
23 en Jezus liep op en neer in de tempel, in de Zuilengang van Salomo.
|
|
24 Daar kwamen de Joden om hem heen staan, en ze vroegen hem: ‘Hoe lang houdt u ons nog in het onzekere? Als u de messias bent, zeg het ons dan ronduit.’
|
24 De Joden dan omringden Hem en zeiden tot Hem: Hoelang houdt Gij onze ziel nog in spanning? Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons ronduit.
|
24 De Joden dan omringden Hem, en zeiden tot Hem: Hoe lang houdt Gij onze ziel op? Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons vrijuit.
|
24 De Joden kwamen om Hem heen staan en zeiden: ‘Hoe lang laat U ons nog in het onzekere? Als U de Messias bent, zeg het ons dan ronduit.’
|
|
25 Jezus antwoordde: ‘Dat heb ik u al gezegd, maar u gelooft het niet. Wat ik namens mijn Vader doe getuigt over mij,
|
25 Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd en gij gelooft het niet; de werken, die Ik doe in de naam mijns Vaders, die getuigen van Mij;
|
25 Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd, en gij gelooft het niet. De werken, die Ik doe in den Naam Mijns Vaders, die getuigen van Mij.
|
25 Jezus antwoordde: ‘Dat heb Ik al gedaan, maar u wilt niet geloven: de daden die Ik namens mijn Vader verricht, getuigen van Mij.
|
|
26 maar u wilt me niet geloven, omdat u niet bij mijn schapen hoort.
|
26 maar gij gelooft niet, omdat gij niet tot mijn schapen behoort.
|
26 Maar gijlieden gelooft niet; want gij zijt niet van Mijn schapen, gelijk Ik u gezegd heb.
|
26 Maar omdat u niet tot mijn schapen behoort, wilt u niet geloven.
|
|
27 Mijn schapen luisteren naar mijn stem, ik ken ze en zij volgen mij.
|
27 Mijn schapen horen naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij,
|
27 Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij.
|
27 Mijn schapen luisteren naar mijn stem; Ik ken ze en ze volgen Mij.
|
|
28 Ik geef ze eeuwig leven: ze zullen nooit verloren gaan en niemand zal ze uit mijn hand roven.
|
28 en Ik geef hun eeuwig leven en zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit mijn hand roven.
|
28 En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.
|
28 Ik geef hun eeuwig leven: nooit zullen ze verloren gaan, niemand zal ze aan mijn hand ontrukken.
|
29 Wat mijn Vader mij gegeven heeft gaat alles te boven, (10:29) Wat mijn Vader mij gegeven heeft gaat alles te boven – Andere handschriften lezen: ‘De Vader die [ze] mij gegeven heeft, is groter dan allen’. niemand kan het uit de hand van mijn Vader roven,
|
29 Wat mijn Vader Mij gegeven heeft, gaat alles te boven en niemand kan iets roven uit de hand mijns Vaders.
|
29 Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders.
|
29 Want wat mijn Vader Mij heeft toevertrouwd, gaat alles te boven: niemand kan het ontrukken aan de hand van mijn Vader!
|
|
30 en de Vader en ik zijn één.’
|
30 Ik en de Vader zijn één.
|
30 Ik en de Vader zijn één.
|
30 Ik en de Vader, Wij zijn één.’
|
|
31 Toen de Joden weer stenen opraapten omdat ze hem wilden stenigen,
|
31 De Joden droegen weder stenen aan om Hem te stenigen.
|
31 De Joden dan namen wederom stenen op, om Hem te stenigen.
|
31 Weer scheelde het niet veel of de Joden hadden Hem gestenigd.
|
|
32 zei Jezus: ‘Ik heb door de Vader veel goeds voor u gedaan; waarom wilt u me stenigen?’
|
32 Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele goede werken doen zien vanwege mijn Vader; om welk van die werken wilt gij Mij stenigen?
|
32 Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele treffelijke werken getoond van Mijn Vader; om welk werk van die stenigt gij Mij?
|
32 Hierop zei Jezus: ‘Zoveel daden heb Ik u te zien gegeven, weldaden die van de Vader kwamen; om welke daarvan wilt u Mij stenigen?’
|
|
33 ‘Voor een goede daad zullen we u niet stenigen,’ antwoordden ze, ‘maar wel voor godslastering: u bent een mens, maar u beweert dat u God bent!’
|
33 De Joden antwoordden Hem: Niet om een goed werk willen wij U stenigen, maar om godslastering en omdat Gij, een mens, Uzelf God maakt.
|
33 De Joden antwoordden Hem, zeggende: Wij stenigen U niet over enig goed werk, maar over godslastering, en omdat Gij, een Mens zijnde, Uzelven God maakt.
|
33 De Joden antwoordden: ‘Niet om een weldaad willen we U stenigen, maar wegens godslastering. Want hoewel U maar een mens bent, geeft U zich voor God uit.’
|
|
34 Jezus zei: ‘Staat er in uw wet niet geschreven: “Ik heb gezegd: ‘U bent goden’”?
|
34 Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd: Gij zijt goden?
|
34 Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd, gij zijt goden?
|
34 Jezus hernam: ‘Staat er niet in uw wet geschreven: Ik heb gezegd: jullie zijn goden?
|
|
35 De Schrift blijft altijd van kracht; als mensen tot wie God spreekt goden genoemd worden,
|
35 Als Hij hén goden genoemd heeft, tot wie het woord Gods gekomen is, en de Schrift niet kan gebroken worden,
|
35 Indien de wet die goden genaamd heeft, tot welke het woord Gods geschied is, en de Schrift niet kan gebroken worden;
|
35 Als dus de wet degenen tot wie dit woord gericht wordt, goden noemt – en de Schrift is onaantastbaar –
|
|
36 hoe kunt u mij, door de Vader geheiligd en naar de wereld gezonden, dan beschuldigen van godslastering wanneer ik zeg dat ik Gods Zoon ben?
|
36 zegt gij dan tot Hem, die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert, omdat Ik heb gezegd: Ik ben Gods Zoon?
|
36 Zegt gijlieden tot Mij, Dien de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert God; omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon?
|
36 met welk recht bestempelt u dan degene die de Vader heeft uitverkoren en naar de wereld heeft gezonden, als een godslasteraar omdat Hij zich Zoon van God noemt?
|
|
37 Als wat ik doe niet van mijn Vader komt, geloof me dan niet,
|
37 Indien Ik de werken mijns Vaders niet doe, gelooft Mij niet,
|
37 Indien Ik niet doe de werken Mijns Vaders, zo gelooft Mij niet;
|
37 Als Ik de daden van mijn Vader niet verricht, hoeft u niet in Mij te geloven.
|
|
38 maar als dat wel het geval is en u gelooft me toch niet, geloof dan tenminste wat ik doe. Dan zult u begrijpen dat de Vader in mij is en dat ik in de Vader ben.’
|
38 doch indien Ik ze doe en gij Mij toch niet gelooft, gelooft dan de werken, opdat gij weten en erkennen moogt, dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader.
|
38 Maar indien Ik ze doe, en zo gij Mij niet gelooft, zo gelooft de werken; opdat gij moogt bekennen en geloven, dat de Vader in Mij is, en Ik in Hem.
|
38 Maar als Ik ze wel verricht, dan zou u, ook als u niet gelooft in Mij, toch moeten geloven op grond van die daden, zodat u eindelijk en voorgoed gaat erkennen dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader ben.’
|
|
39 En weer wilden ze hem grijpen, maar hij ontsnapte.
|
39 Zij trachtten Hem dan weder te grijpen, maar Hij ontkwam uit hun handen.
|
39 Zij zochten dan wederom Hem te grijpen, en Hij ontging uit hun hand.
|
39 Weer hadden ze Hem toen willen grijpen, maar Hij wist uit hun handen te blijven.
|
|
40 Hij ging terug naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes eerder gedoopt had. Daar bleef hij.
|
In Perea
40 En Hij vertrok weer naar de overzijde van de Jordaan, naar de plaats, waar Johannes de eerste maal doopte, en Hij bleef daar.
|
40 En Hij ging wederom over de Jordaan, tot de plaats, waar Johannes eerst doopte; en Hij bleef aldaar.
|
40 Hij keerde terug naar de plaats aan de overkant van de Jordaan waar Johannes indertijd gedoopt had en daar bleef Hij.
|
|
41 Veel mensen kwamen naar hem toe; ze zeiden: ‘Johannes heeft weliswaar geen wonderteken gedaan, maar alles wat hij over deze man gezegd heeft is waar.’
|
41 En velen kwamen tot Hem en zeiden: Johannes deed wel geen enkel teken, maar al wat Johannes van deze zeide, was waar.
|
41 En velen kwamen tot Hem, en zeiden: Johannes deed wel geen teken; maar alles, wat Johannes van Dezen zeide, was waar.
|
41 Velen kwamen naar Hem toe. Ze zeiden: ‘Johannes heeft dan wel geen enkel teken verricht, maar alles wat hij over deze man heeft gezegd, was waar.’
|
|
42 En velen kwamen daar tot geloof in hem.
|
42 En velen daar geloofden in Hem.
|
42 En velen geloofden aldaar in Hem.
|
42 En velen kwamen daar tot geloof in Hem.
|
De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap
|
NBG-vertaling 1951
© 1951 Nederlands Bijbelgenootschap |
Statenvertaling (Jongbloed-editie)
|
Willibrordvertaling (herziene editie 1995)
© 1995 Katholieke Bijbelstichting |