|
Derde lied: wanhoop en hoop
3
1 Ik ben de mens die te lijden heeft onder de stok van zijn toorn.
|
Derde klaaglied: Ellende en vertroosting
3
1 Ik ben de man die ellende heeft gezien
door de roede zijner verbolgenheid.
|
Aansporing tot zelfvernedering en gebed
3
1 Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.
|
Geluk bleef weg van mij
3
1 Hoe heb ik onder de slagen van zijn toorn geleden.
|
|
2 Hij leidt mij en voert mij – in een lichtloos duister.
|
2 Mij heeft Hij gevoerd en doen gaan
in duisternis en donkerte.
|
2 Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht.
|
2 In de donkerste duisternis heeft Hij mij gedreven.
|
|
3 Tegen mij heft hij zijn hand op, steeds opnieuw, dag na dag.
|
3 Waarlijk, tegen mij keert Hij telkens weder
zijn hand, de ganse dag.
|
3 Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd.
|
3 Hij keert zich tegen mij, elke dag weer.
|
|
4 Mijn vlees en mijn huid doet hij wegteren, en al mijn botten breekt hij.
|
4 Hij heeft mijn vlees en mijn huid doen wegteren,
mijn beenderen gebroken.
|
4 Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.
|
4 Mijn vlees en mijn huid teren weg, Hij heeft mijn beenderen gebroken.
|
|
5 Hij sluit mij in en omringt me met gif en tegenspoed.
|
5 Hij heeft aan alle zijden tegen mij opgehoopt
vergif en moeite.
|
5 Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd.
|
5 Een muur van bitter lijden heeft Hij om mij heen gebouwd.
|
|
6 Hij laat mij in duisternis wonen, als de doden van eeuwen her.
|
6 Hij heeft mij in duistere plaatsen doen wonen
als de doden van voorlang.
|
6 Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.
|
6 Hij liet mij in duisternis wonen, als dood voor altijd.
|
|
7 Hij trekt een muur rond mij op, ik kan er niet uit; zwaar zijn mijn bronzen ketenen.
|
7 Hij heeft mij iedere uitgang versperd,
mij in zware koperen ketenen geklonken.
|
7 Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard.
|
7 Hij sloot mij in, zwaargeboeid, en ik kon nergens meer heen.
|
|
8 Al schreeuw ik en roep ik om hulp, hij wil mijn gebed niet horen.
|
8 Zelfs als ik schreeuw en om hulp roep,
versmaadt Hij mijn gebed.
|
8 Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed.
|
8 Hoe ik ook schreeuwde en riep, Hij hoorde mijn smeekbeden niet.
|
|
9 Hij verspert mij de weg met rotsblokken, mijn paden maakt hij krom.
|
9 Hij heeft mijn weg versperd met steenblokken,
mijn paden onbegaanbaar gemaakt.
|
9 Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.
|
9 Mijn weg heeft Hij opengebroken, met stenen versperd.
|
|
10 Als een beer loert hij op mij, als een leeuw in het verborgene.
|
10 Hij is mij een loerende beer,
een leeuw in verborgen schuilhoeken.
|
10 Daleth. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen.
|
10 Hij loerde op mij als een beer, als een leeuw vanuit zijn schuilplaats.
|
|
11 Hij dringt me opzij, hij verscheurt me en verwoest mijn leven.
|
11 Hij laat mij geen uitweg, en verscheurt mij,
Hij heeft mij geslagen met verbijstering,
|
11 Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt.
|
11 Al mijn wegen verwoestte Hij: één braakland, één woestenij.
|
|
12 Hij spant zijn boog en kiest mij als doelwit voor zijn pijlen.
|
12 Hij heeft zijn boog gespannen en mij gesteld
tot doelwit voor zijn pijl.
|
12 Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen, en Hij heeft mij den pijl als ten doel gesteld.
|
12 Hij spande zijn boog en richtte zijn pijlen op mij.
|
|
13 Hij treft mij in het hart met de pijlen uit zijn koker.
|
13 Hij heeft in mijn nieren doen doordringen
de pijlen uit zijn koker.
|
13 He. Hij heeft Zijn pijlen in mijn nieren doen ingaan.
|
13 Zijn hele koker met pijlen schoot Hij op mij leeg.
|
|
14 Dag na dag moet ik het ontgelden in het spotlied van mijn volk.
|
14 Ik ben een belaching geworden voor heel mijn volk,
hun spotlied heel de dag.
|
14 He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den gansen dag.
|
14 Elke dag lacht mijn volk mij met spotliedjes uit.
|
|
15 Hij verzadigt mij met bittere kruiden, hij geeft me alsem te drinken in overvloed,
|
15 Hij heeft mij met bittere kruiden verzadigd
en mij met alsem gedrenkt.
|
15 He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt.
|
15 Hij gaf mij slechts bittere kruiden en alsem te eten.
|
|
16 hij laat me mijn tanden stukbijten op stenen, hij drukt mij neer in het stof.
|
16 Hij liet mij de tanden op kiezel stukbijten,
Hij drukte mij neer in het stof.
|
16 Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as nedergedrukt.
|
16 Hij drukte mij neer in het stof, mijn tanden gaan stuk op het kiezel.
|
17 Mijn leven is verstoken van (3:17) is verstoken van – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘hebt u uitgesloten van’. vrede, geluk is mij vreemd geworden.
|
17 Gij hebt mijn ziel het heil doen derven,
ik ben vergeten wat geluk is.
|
17 Vau. En Gij hebt mijn ziel verre van den vrede verstoten, ik heb het goede vergeten.
|
17 Geluk bleef weg van mij, wat welstand is wist ik niet meer.
|
|
18 Steeds denk ik: Verdwenen is mijn glans, vervlogen mijn hoop op de HEER.
|
18 Ik dacht: vergaan is mijn kracht,
vervlogen mijn hoop op de HERE.
|
18 Vau. Toen zeide ik: Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van den HEERE.
|
18 Ik dacht: ‘Mijn hoop op de HEER blijkt vervlogen, ik leef zonder hoop.’
|
|
19 Gedenk mijn nood en mijn zwervend bestaan, de alsem en het gif.
|
19 Gedenk aan mijn ellende en omzwerving,
aan de alsem en het vergif.
|
19 Zain. Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan den alsem en galle.
|
19 Ik denk aan mijn nood en ellende, dit vergiftigt mijn leven.
|
|
20 Telkens als ik mijn lot overdenk, ben ik diep terneergeslagen.
|
20 Zo vaak mijn ziel dit gedenkt,
buigt zij zich neder in mij.
|
20 Zain. Mijn ziel gedenkt er wel terdege aan, en zij bukt zich neder in mij.
|
20 Ik blijf er steeds aan denken, het weegt op mij als een last.
|
|
21 Toch geef ik de hoop niet op, want hieraan houd ik vast:
|
21 Dit zal ik mij te binnen brengen,
daarom zal ik hopen:
|
21 Zain. Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen;
|
21 Ik prent het mij desondanks in – dat geeft mij hoop –:
|
|
22 Genadig is de HEER: wij zijn nog in leven! Zijn ontferming kent geen grenzen.
|
22 Het zijn de gunstbewijzen des HEREN, dat wij niet omgekomen zijn,
want zijn barmhartigheden houden niet op,
|
22 Cheth. Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben;
|
22 zonder einde is de genade van de HEER, onuitputtelijk is zijn medelijden.
|
|
23 Elke morgen schenkt hij nieuwe weldaden. – Veelvuldig blijkt uw trouw!
|
23 elke morgen zijn zij nieuw,
groot is uw trouw!
|
23 Cheth. Zij zijn allen morgen nieuw, Uw trouw is groot.
|
23 Uw grote trouw is iedere ochtend weer nieuw.
|
|
24 Ik besef: mijn enig bezit is de HEER, al mijn hoop is op hem gevestigd.
|
24 Mijn ziel zegt: Mijn deel is de HERE,
daarom zal ik op Hem hopen.
|
24 Cheth. De HEERE is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen.
|
24 ‘Ik ben van de HEER’, zegt mijn hart, ‘Hij blijft mijn hoop.’
|
|
25 Goed is de HEER voor wie hem zoekt en alles van hem verwacht.
|
25 Goed is de HERE voor wie Hem verwachten,
voor de ziel die Hem zoekt;
|
25 Teth. De HEERE is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt.
|
25 Goed is de HEER voor degene die hoopt, voor iedereen die Hem zoekt.
|
|
26 Goed is het geduldig te hopen op de HEER die redding brengt.
|
26 goed is het, in stilheid te wachten
op het heil des HEREN;
|
26 Teth. Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil des HEEREN.
|
26 Het is goed om in stilte op redding van de HEER te wachten.
|
|
27 Goed is het als een mens zijn juk draagt in zijn jeugd.
|
27 goed is het voor de man,
dat hij een juk in zijn jeugd draagt.
|
27 Teth. Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt.
|
27 Het is goed om zijn juk van jongs af te dragen.
|
|
28 Laat hij neerzitten, eenzaam en geduldig, als het hem wordt opgelegd.
|
28 Hij zitte eenzaam en zwijge stil,
als Hij het hem heeft opgelegd.
|
28 Jod. Hij zitte eenzaam, en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft.
|
28 Hij zit eenzaam en zwijgt als de HEER het oplegt:
|
|
29 Laat hij zich neerwerpen en stof likken, misschien is er hoop.
|
29 Hij drukke zijn mond in het stof,
misschien is er hoop.
|
29 Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting.
|
29 het gezicht naar de grond, maar uitkomst verwachtend.
|
|
30 Laat hij zijn wang bieden aan wie hem slaat, laat hij verzadigd raken van hoon.
|
30 Hij biede de wang aan wie hem slaat,
hij worde verzadigd van smaad.
|
30 Jod. Hij geve zijn wang dien, die hem slaat, hij worde zat van smaad.
|
30 Hij biedt zijn wang aan wie hem slaat; hij laat zich bespotten.
|
|
31 Want de Heer verwerpt niet voor eeuwig.
|
31 Want niet voor eeuwig verstoot
de Here.
|
31 Caph. Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid.
|
31 Want hij weet dat de Heer niet voor altijd verstoot;
|
|
32 Als hij leed berokkent, ontfermt hij zich ook, zo groot is zijn genade;
|
32 Want als Hij bedroefd heeft, ontfermt Hij Zich
naar de grootheid van zijn gunstbewijzen.
|
32 Caph. Maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen, naar de grootheid Zijner goedertierenheden.
|
32 dat Hij verdriet geeft, maar zich ook genadig weer ontfermt.
|
|
33 slechts met tegenzin brengt hij leed en rampspoed over de mensen.
|
33 Immers niet van harte verdrukt
en bedroeft Hij de mensenkinderen.
|
33 Caph. Want Hij plaagt of bedroeft des mensen kinderen niet van harte.
|
33 Hij bedroeft en vernedert niet voor eigen plezier.
|
|
34 Dat men overal op aarde gevangenen vertrapt,
|
34 Dat men onder zijn voeten vertrapt
alle gevangenen der aarde,
|
34 Lamed. Dat men al de gevangenen der aarde onder zijn voeten verbrijzelt;
|
Ziet God dat niet?
34 Maar als in welk land dan ook de gevangenen vertrapt worden,
|
|
35 dat men iemands rechten schendt onder de ogen van de Allerhoogste,
|
35 dat men het recht van een man buigt
voor het aangezicht van de Allerhoogste,
|
35 Lamed. Dat men het recht eens mans buigt voor het aangezicht des Allerhoogsten;
|
35 voor het gezicht van de Allerhoogste het recht van mensen wordt verkracht
|
|
36 dat men een mens een eerlijk vonnis onthoudt – zou de Heer het niet zien?
|
36 dat men een mens in zijn rechtszaak verongelijkt,
zou de Here dat niet zien?
|
36 Lamed. Dat men een mens verongelijkt in zijn twistzaak; zou het de Heere niet zien?
|
36 en hun onrecht wordt aangedaan in hun zaak, ziet de Heer dat niet?
|
|
37 Wie is het die spreekt, en het is er? Zou de Heer het niet zijn die gebiedt?
|
37 Wie is het, die spreekt en het is er,
wanneer de Here het niet gebiedt?
|
37 Mem. Wie zegt wat, hetwelk geschiedt, zo het de Heere niet beveelt?
|
37 Wie spreekt er, als het niet op het bevel van de Heer is?
|
|
38 Komt uit de mond van de Allerhoogste niet goed zowel als kwaad?
|
38 Komt niet uit de mond des Allerhoogsten
het kwade en het goede?
|
38 Mem. Gaat niet uit den mond des Allerhoogsten het kwade en het goede?
|
38 Ontstaat niet het goed en het kwaad op het bevel van de Allerhoogste?
|
|
39 Wat klaagt een mens zolang hij nog leeft? Laat hij klagen over zijn zonden!
|
39 Wat klaagt dan een mens in het leven!
Ieder (klage) over zijn zonde.
|
39 Mem. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden.
|
39 Wat klaagt de mens, als hij leeft ondanks zijn zonden?
|
|
40 Laten we ons leven onderzoeken en doorvorsen, laten we terugkeren naar de HEER,
|
40 Laten wij onze wegen doorzoeken en doorvorsen
en ons bekeren tot de HERE.
|
40 Nun. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot den HEERE.
|
40 Laten wij naar ons eigen gedrag kijken en teruggaan naar de HEER,
|
|
41 laten we met onze handen ook ons hart opheffen tot God in de hemel.
|
41 Laten wij met de handen ons hart opheffen
tot God in de hemel:
|
41 Nun. Laat ons onze harten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in den hemel, zeggende:
|
41 niet met de hand, maar met het hart, gericht op God in de hemel.
|
|
42 Wij hebben gezondigd, wij zijn opstandig geweest, en u hebt ons niet vergeven.
|
42 Wij hebben overtreden en zijn weerspannig geweest –
Gij hebt niet vergeven.
|
42 Nun. Wij hebben overtreden, en wij zijn wederspannig geweest, daarom hebt Gij niet gespaard.
|
42 Wij waren ontrouw en opstandig: U vergaf het ons niet.
|
|
43 U hult u in toorn, u achtervolgt en doodt ons zonder mededogen.
|
43 Gij hebt U in toorn gehuld, Gij hebt ons vervolgd,
ons meedogenloos gedood.
|
43 Samech. Gij hebt ons met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd; Gij hebt ons gedood. Gij hebt niet verschoond.
|
43 Woedend hebt U ons vervolgd en ons zonder genade gedood.
|
|
44 U hult u in een wolk, geen gebed dringt tot u door.
|
44 Gij hebt U gehuld in een wolk,
ondoordringbaar voor het gebed.
|
44 Samech. Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam.
|
44 U hebt zich in wolken gehuld, ons gebed drong niet tot U door.
|
|
45 U maakt ons tot schuim en uitschot te midden van de volken.
|
45 Gij hebt ons gemaakt tot verachtelijk uitvaagsel
te midden van de volkeren.
|
45 Samech. Gij hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden der volken.
|
45 Uitvaagsel onder de volken maakt U van ons.
|
|
46 Al onze vijanden sperren hun mond naar ons open.
|
46 Tegen ons hebben hun mond opengesperd
al onze vijanden.
|
46 Pe. Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opgesperd.
|
46 Onze vijanden sperren hun muil open tegen ons.
|
|
47 Angst en afgrijzen, dood en verderf, ze houden ons in hun greep.
|
47 Schrik en strik zijn over ons gekomen,
verderf en breuk.
|
47 Pe. De vreze en de kuil zijn over ons gekomen, de verwoesting en de verbreking.
|
47 Een dodelijke schrik, ondergang en vernieling overviel ons.
|
|
48 Waterbeken stromen uit mijn ogen, om de rampspoed van mijn volk.
|
48 Waterbeken vloeien uit mijn oog
om de ondergang van de dochter mijns volks.
|
48 Pe. Met waterbeken loopt mijn oog neder, vanwege de breuk der dochter mijns volks.
|
48 Mijn oog stort stromen van tranen: mijn volk ging ten onder.
|
|
49 Mijn ogen vloeien van tranen, zonder rust, zonder ophouden,
|
49 Mijn oog baadt in tranen, zonder ophouden,
zonder verpozen,
|
49 Ain. Mijn oog vliet, en kan niet ophouden, omdat er geen rust is;
|
49 Mijn tranen blijven stromen en zonder ophouden ween ik,
|
|
50 totdat de HEER vanuit de hemel neerkijkt en mij ziet.
|
50 totdat de HERE nederziet
en neerschouwt uit de hemel.
|
50 Ain. Totdat het de HEERE van den hemel aanschouwe, en het zie.
|
50 totdat de HEER vanuit de hoge hemel naar mij omziet.
|
|
51 Wat ik zie, raakt mij in het hart: het lot van de vrouwen van mijn stad.
|
51 Mijn oog doet mij pijn
om al de dochteren mijner stad.
|
51 Ain. Mijn oog doet mijn ziele moeite aan, vanwege al de dochteren mijner stad.
|
51 Mijn ogen doen pijn van het wenen over mijn stad.
|
|
52 Mijn vijanden jaagden fel op mij, als op een vogel, al hadden ze geen reden.
|
52 Fel hebben zij mij, als een vogel, opgejaagd,
die mij vijandig zijn zonder oorzaak.
|
52 Tsade. Die mijn vijanden zijn zonder oorzaak, hebben mij als een vogeltje dapperlijk gejaagd.
|
52 Als een vogel joeg de vijand mij op – ik weet niet waarom –
|
|
53 Ze hebben mijn leven gesmoord in de put, mij afgedekt met een steen.
|
53 Zij hebben mijn leven in een put versmoord
en stenen op mij geworpen.
|
53 Tsade. Zij hebben mijn leven in een kuil uitgeroeid, en zij hebben een steen op mij geworpen.
|
53 en gooide mij levend in de put en bedolf mij onder stenen.
|
|
54 Het water sloot zich boven mijn hoofd, ik dacht: Ik ben verloren.
|
54 Wateren stroomden over mijn hoofd;
ik dacht: ik ben verloren.
|
54 Tsade. De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zeide: Ik ben afgesneden!
|
54 Het water steeg boven mij en ik riep: ‘Ik ben verloren.’
|
|
55 Uit de diepte van de put roep ik uw naam, HEER.
|
55 Ik roep uw naam aan, o HERE,
uit het onderste van de put.
|
55 Koph. HEERE! Ik heb Uw Naam aangeroepen uit den ondersten kuil.
|
55 Uit de diepte van de put riep ik uw naam aan: ‘HEER’.
|
|
56 U hoort mijn stem. Sluit uw oor niet voor mijn zuchten en mijn hulpgeroep.
|
56 Gij hoort mijn stem: verberg uw oor niet
voor mijn zuchten, mijn hulpgeschrei.
|
56 Koph. Gij hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen.
|
56 U hebt mijn roepen gehoord: ‘Blijf niet doof voor mijn klacht.’
|
|
57 Altijd als ik roep, bent u nabij; u zegt mij: ‘Wees niet bang.’
|
57 Gij zijt nabij ten dage, dat ik U aanroep,
Gij zegt: Vrees niet.
|
57 Koph. Gij hebt U genaderd ten dage, als ik U aanriep; Gij hebt gezegd: Vrees niet!
|
57 U hebt mij verhoord en U hebt gezegd: ‘Wees niet bang.’
|
|
58 U, Heer, neemt het voor mij op, u redt mijn leven.
|
58 Gij voert, o Here, mijn rechtsgeding,
Gij verlost mijn leven.
|
58 Resch. Heere! Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist, Gij hebt mijn leven verlost.
|
58 U bent voor mij opgekomen en U, Heer, hebt mijn leven gered.
|
|
59 U, HEER, ziet hoe mij onrecht wordt aangedaan; verschaf mij toch recht.
|
59 Gij ziet, o HERE, mijn verongelijking,
ach, verschaf mij recht.
|
59 Resch. HEERE! Gij hebt gezien de verkeerdheid, die men mij aangedaan heeft, oordeel mijn rechtzaak.
|
59 U hebt mijn onderdrukking gezien, HEER, en mij recht verschaft.
|
|
60 U doorziet hun wraakzucht, hun samenzwering tegen mij.
|
60 Gij ziet al hun wraakzucht,
al hun overleggingen tegen mij.
|
60 Resch. Gij hebt al hun wraak gezien, al hun gedachten tegen mij.
|
60 U hebt hun wraakzucht doorzien, hun samenzweringen tegen mij.
|
|
61 U hoort hoe zij mij honen, HEER, en hoe ze samenzweren:
|
61 Gij hoort, o HERE, hun smaad,
al hun overleggingen tegen mij,
|
61 Schin. HEERE! Gij hebt hun smaden gehoord, en al hun gedachten tegen mij;
|
61 U hebt gehoord hoe ze mij beledigen, HEER, U hebt hun samenzweringen gezien.
|
|
62 hun vijandige taal en hun gekonkel over mij, de hele dag door.
|
62 de taal van wie tegen mij opstaan, en hun gemompel
tegen mij, de ganse dag.
|
62 Schin. De lippen dergenen, die tegen mij opstaan, en hun dichten tegen mij den gansen dag.
|
62 Mijn vijanden zweren iedere dag tegen mij samen.
|
|
63 Zie hen in al hun doen en laten: ik word bezongen in hun spotlied.
|
63 Aanschouw hun zitten en hun opstaan:
Ik ben hun spotlied.
|
63 Schin. Aanschouw hun zitten en opstaan; ik ben hun snarenspel.
|
63 Kijk: of zij zitten of staan, ze spotten met mij.
|
|
64 HEER, u zult hen laten boeten voor al wat ze misdeden,
|
64 Gij zult hun vergelden, o HERE,
naar het werk hunner handen.
|
64 Thau. HEERE! geef hun weder die vergelding, naar het werk hunner handen.
|
64 Vergeld hun toch, HEER, wat ze mij hebben misdaan.
|
|
65 u zult hun geest verblinden – laat uw vloek hen treffen!
|
65 Gij zult hun geest verblinden –
uw vloek over hen!
|
65 Thau. Geef hun een deksel des harten; Uw vloek zij over hen!
|
65 Verblind hun hart en geest, en breng uw vloek over hen.
|
|
66 Laat uw toorn hen achtervolgen, vaag hen weg van onder uw hemel.
|
66 Gij zult hen in toorn vervolgen en verdelgen
van onder des HEREN hemel.
|
66 Thau. Vervolg ze met toorn, en verdelg ze van onder den hemel des HEEREN.
|
66 Vervolg hen, in uw toorn, HEER, vaag hen weg van de aarde.
|
De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap
|
NBG-vertaling 1951
© 1951 Nederlands Bijbelgenootschap |
Statenvertaling (Jongbloed-editie)
|
Willibrordvertaling (herziene editie 1995)
© 1995 Katholieke Bijbelstichting |