Passage opvragen   Tekst zoeken  
Passage:
Bijvoorbeeld:
  • Genesis
  • Gen
  • Gen 1
  • Gen 1:10
  • Gen 1:1-10
Woord(en):
Bijvoorbeeld:
  • evangelie
  • "groot en machtig"
  • koning*
Zoeken in:
Bijbelboeken selecteren...
Bijbelversie(s):
Andere bijbelversie(s) weergeven:
De Nieuwe Bijbelvertaling [NBV]
Statenvertaling (Jongbloed-editie) [SV-J]
NBG-vertaling 1951 [NBG51]
Willibrordvertaling 1995 [WV95]
Groot Nieuws Bijbel 1996 [GNB96]
Meer (Nederlands)...
Statenvertaling 1637[SV1637]
Statenvertaling editie 1977[SV1977]
Meer (buitenlands)...
Engels...
King James Version, 1611 [KJV]
American Standard Version, 1901 [ASV]
Good News Bible, 1992 [GNB]
Contemporary English Version, 1999 [CEV]
World English Bible, 2002 [WEB]
Frans...
Louis Segond, 1910 [SEG]
Duits...
Luthervertaling, 1545 [L45]
Spaans...
Reina-Valera Revisada, 1995 [RVR95]
Noten bij RVR 1995 [RVR95n]
Dios Habla Hoy, 2002 [DHH]
Noten bij DHH 2002 [DHHn]
Catalaans...
Biblia Catalana Interconfessional, 1993 [BCI]
Kroatisch...
Kroatische bijbel (KS), 1994 [HKS]
Latijn...
Vulgata, 4e-5e eeuw (gereconstrueerd) [VUL]
Vulgata Clementina, 1592 [VLC]
Roemeens...
Biblia Cornilescu, 1921 [RCB]
Russisch...
Russische Synodale Vertaling, 1876 [RUS]
Sloveens...
Dalmatin-bijbel 1584 (gedeeltelijk) [DAL]
Chraska-vertaling 1914 [CHR]
Oecumenische Editie 1974 [EKU]
Jubilee New Testament + Psalms 1984 [JUB]
Sloveense Standaardvertaling 1997 [SSP]
Studie-voetnoten bij SSP 1997 [SSP-Op]
Tekstverwijzingen bij SSP 1997 [SSP-Ref]
Sloveense Standaardvertaling 2006 [SSP3]

Klaagliederen 3

Klaagliederen :1 2 3 4 5

Derde lied: wanhoop en hoop
3
Ik ben de mens die te lijden heeft onder de stok van zijn toorn.
Derde klaaglied: Ellende en vertroosting
3
Ik ben de man die ellende heeft gezien
door de roede zijner verbolgenheid.
Aansporing tot zelfvernedering en gebed
3
1 Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.
Geluk bleef weg van mij
3
1 Hoe heb ik onder de slagen van zijn toorn geleden.
Hij leidt mij en voert mij – in een lichtloos duister.
Mij heeft Hij gevoerd en doen gaan
in duisternis en donkerte.
2 Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht.
2 In de donkerste duisternis heeft Hij mij gedreven.
Tegen mij heft hij zijn hand op, steeds opnieuw, dag na dag.
Waarlijk, tegen mij keert Hij telkens weder
zijn hand, de ganse dag.
3 Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd.
3 Hij keert zich tegen mij, elke dag weer.
Mijn vlees en mijn huid doet hij wegteren, en al mijn botten breekt hij.

Hij heeft mijn vlees en mijn huid doen wegteren,
mijn beenderen gebroken.
4 Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.

4 Mijn vlees en mijn huid teren weg, Hij heeft mijn beenderen gebroken.
Hij sluit mij in en omringt me met gif en tegenspoed.
Hij heeft aan alle zijden tegen mij opgehoopt
vergif en moeite.
5 Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd.
5 Een muur van bitter lijden heeft Hij om mij heen gebouwd.
Hij laat mij in duisternis wonen, als de doden van eeuwen her.
Hij heeft mij in duistere plaatsen doen wonen
als de doden van voorlang.
6 Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.
6 Hij liet mij in duisternis wonen, als dood voor altijd.
Hij trekt een muur rond mij op, ik kan er niet uit; zwaar zijn mijn bronzen ketenen.

Hij heeft mij iedere uitgang versperd,
mij in zware koperen ketenen geklonken.
7 Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard.

7 Hij sloot mij in, zwaargeboeid, en ik kon nergens meer heen.
Al schreeuw ik en roep ik om hulp, hij wil mijn gebed niet horen.
Zelfs als ik schreeuw en om hulp roep,
versmaadt Hij mijn gebed.
8 Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed.
8 Hoe ik ook schreeuwde en riep, Hij hoorde mijn smeekbeden niet.
Hij verspert mij de weg met rotsblokken, mijn paden maakt hij krom.
Hij heeft mijn weg versperd met steenblokken,
mijn paden onbegaanbaar gemaakt.
9 Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.
9 Mijn weg heeft Hij opengebroken, met stenen versperd.
10 Als een beer loert hij op mij, als een leeuw in het verborgene.

10 Hij is mij een loerende beer,
een leeuw in verborgen schuilhoeken.
10 Daleth. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen.

10 Hij loerde op mij als een beer, als een leeuw vanuit zijn schuilplaats.
11 Hij dringt me opzij, hij verscheurt me en verwoest mijn leven.
11 Hij laat mij geen uitweg, en verscheurt mij,
Hij heeft mij geslagen met verbijstering,
11 Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt.
11 Al mijn wegen verwoestte Hij: één braakland, één woestenij.
12 Hij spant zijn boog en kiest mij als doelwit voor zijn pijlen.
12 Hij heeft zijn boog gespannen en mij gesteld
tot doelwit voor zijn pijl.
12 Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen, en Hij heeft mij den pijl als ten doel gesteld.
12 Hij spande zijn boog en richtte zijn pijlen op mij.
13 Hij treft mij in het hart met de pijlen uit zijn koker.

13 Hij heeft in mijn nieren doen doordringen
de pijlen uit zijn koker.
13 He. Hij heeft Zijn pijlen in mijn nieren doen ingaan.

13 Zijn hele koker met pijlen schoot Hij op mij leeg.
14 Dag na dag moet ik het ontgelden in het spotlied van mijn volk.
14 Ik ben een belaching geworden voor heel mijn volk,
hun spotlied heel de dag.
14 He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den gansen dag.
14 Elke dag lacht mijn volk mij met spotliedjes uit.
15 Hij verzadigt mij met bittere kruiden, hij geeft me alsem te drinken in overvloed,
15 Hij heeft mij met bittere kruiden verzadigd
en mij met alsem gedrenkt.
15 He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt.
15 Hij gaf mij slechts bittere kruiden en alsem te eten.
16 hij laat me mijn tanden stukbijten op stenen, hij drukt mij neer in het stof.

16 Hij liet mij de tanden op kiezel stukbijten,
Hij drukte mij neer in het stof.
16 Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as nedergedrukt.

16 Hij drukte mij neer in het stof, mijn tanden gaan stuk op het kiezel.
17 Mijn leven is verstoken van
(3:17) is verstoken van – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘hebt u uitgesloten van’.
vrede, geluk is mij vreemd geworden.
17 Gij hebt mijn ziel het heil doen derven,
ik ben vergeten wat geluk is.
17 Vau. En Gij hebt mijn ziel verre van den vrede verstoten, ik heb het goede vergeten.
17 Geluk bleef weg van mij, wat welstand is wist ik niet meer.
18 Steeds denk ik: Verdwenen is mijn glans, vervlogen mijn hoop op de HEER.
18 Ik dacht: vergaan is mijn kracht,
vervlogen mijn hoop op de HERE.
18 Vau. Toen zeide ik: Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van den HEERE.
18 Ik dacht: ‘Mijn hoop op de HEER blijkt vervlogen, ik leef zonder hoop.’
19 Gedenk mijn nood en mijn zwervend bestaan, de alsem en het gif.

19 Gedenk aan mijn ellende en omzwerving,
aan de alsem en het vergif.
19 Zain. Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan den alsem en galle.

19 Ik denk aan mijn nood en ellende, dit vergiftigt mijn leven.
20 Telkens als ik mijn lot overdenk, ben ik diep terneergeslagen.
20 Zo vaak mijn ziel dit gedenkt,
buigt zij zich neder in mij.
20 Zain. Mijn ziel gedenkt er wel terdege aan, en zij bukt zich neder in mij.
20 Ik blijf er steeds aan denken, het weegt op mij als een last.
21 Toch geef ik de hoop niet op, want hieraan houd ik vast:
21 Dit zal ik mij te binnen brengen,
daarom zal ik hopen:
21 Zain. Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen;
21 Ik prent het mij desondanks in – dat geeft mij hoop –:

22 Genadig is de HEER: wij zijn nog in leven! Zijn ontferming kent geen grenzen.

22 Het zijn de gunstbewijzen des HEREN, dat wij niet omgekomen zijn,
want zijn barmhartigheden houden niet op,
22 Cheth. Het zijn de
[3:22] Jes 1:9. Hab 3:13.
goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben;

22 zonder einde is de genade van de HEER, onuitputtelijk is zijn medelijden.
23 Elke morgen schenkt hij nieuwe weldaden. – Veelvuldig blijkt uw trouw!
23 elke morgen zijn zij nieuw,
groot is uw trouw!
23 Cheth. Zij zijn
[3:23] Ps 30:6.
allen morgen nieuw, Uw trouw is groot.
23 Uw grote trouw is iedere ochtend weer nieuw.
24 Ik besef: mijn enig bezit is de HEER, al mijn hoop is op hem gevestigd.
24 Mijn ziel zegt: Mijn deel is de HERE,
daarom zal ik op Hem hopen.
24 Cheth. De HEERE is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom
[3:24] Hab 2:3.
zal ik op Hem hopen.
24 ‘Ik ben van de HEER’, zegt mijn hart, ‘Hij blijft mijn hoop.’
25 Goed is de HEER voor wie hem zoekt en alles van hem verwacht.

25 Goed is de HERE voor wie Hem verwachten,
voor de ziel die Hem zoekt;
25 Teth. De HEERE is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt.

25 Goed is de HEER voor degene die hoopt, voor iedereen die Hem zoekt.
26 Goed is het geduldig te hopen op de HEER die redding brengt.
26 goed is het, in stilheid te wachten
op het heil des HEREN;
26 Teth. Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil des HEEREN.
26 Het is goed om in stilte op redding van de HEER te wachten.
27 Goed is het als een mens zijn juk draagt in zijn jeugd.
27 goed is het voor de man,
dat hij een juk in zijn jeugd draagt.
27 Teth. Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt.
27 Het is goed om zijn juk van jongs af te dragen.
28 Laat hij neerzitten, eenzaam en geduldig, als het hem wordt opgelegd.

28 Hij zitte eenzaam en zwijge stil,
als Hij het hem heeft opgelegd.
28 Jod. Hij zitte eenzaam, en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft.

28 Hij zit eenzaam en zwijgt als de HEER het oplegt:
29 Laat hij zich neerwerpen en stof likken, misschien is er hoop.
29 Hij drukke zijn mond in het stof,
misschien is er hoop.
29 Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien
[3:29] Hand 8:22.
is er verwachting.
29 het gezicht naar de grond, maar uitkomst verwachtend.
30 Laat hij zijn wang bieden aan wie hem slaat, laat hij verzadigd raken van hoon.
30 Hij biede de wang aan wie hem slaat,
hij worde verzadigd van smaad.
30 Jod. Hij geve zijn wang dien, die hem slaat, hij worde zat van smaad.
30 Hij biedt zijn wang aan wie hem slaat; hij laat zich bespotten.
31 Want de Heer verwerpt niet voor eeuwig.

31 Want niet voor eeuwig verstoot
de Here.
31 Caph. Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid.

31 Want hij weet dat de Heer niet voor altijd verstoot;
32 Als hij leed berokkent, ontfermt hij zich ook, zo groot is zijn genade;
32 Want als Hij bedroefd heeft, ontfermt Hij Zich
naar de grootheid van zijn gunstbewijzen.
32 Caph. Maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen, naar de grootheid Zijner goedertierenheden.
32 dat Hij verdriet geeft, maar zich ook genadig weer ontfermt.
33 slechts met tegenzin brengt hij leed en rampspoed over de mensen.
33 Immers niet van harte verdrukt
en bedroeft Hij de mensenkinderen.
33 Caph. Want Hij plaagt of bedroeft des mensen kinderen niet van harte.
33 Hij bedroeft en vernedert niet voor eigen plezier.
34 Dat men overal op aarde gevangenen vertrapt,

34 Dat men onder zijn voeten vertrapt
alle gevangenen der aarde,
34 Lamed. Dat men al de gevangenen der aarde onder zijn voeten verbrijzelt;
Ziet God dat niet?
34 Maar als in welk land dan ook de gevangenen vertrapt worden,
35 dat men iemands rechten schendt onder de ogen van de Allerhoogste,
35 dat men het recht van een man buigt
voor het aangezicht van de Allerhoogste,
35 Lamed. Dat men het recht eens mans buigt voor het aangezicht des Allerhoogsten;
35 voor het gezicht van de Allerhoogste het recht van mensen wordt verkracht
36 dat men een mens een eerlijk vonnis onthoudt – zou de Heer het niet zien?
36 dat men een mens in zijn rechtszaak verongelijkt,
zou de Here dat niet zien?
36 Lamed. Dat men een mens verongelijkt in zijn twistzaak; zou het de Heere niet zien?
36 en hun onrecht wordt aangedaan in hun zaak, ziet de Heer dat niet?
37 Wie is het die spreekt, en het is er? Zou de Heer het niet zijn die gebiedt?

37 Wie is het, die spreekt en het is er,
wanneer de Here het niet gebiedt?
37 Mem. Wie
[3:37] Ps 33:9.
zegt wat, hetwelk geschiedt, zo het de Heere niet beveelt?

37 Wie spreekt er, als het niet op het bevel van de Heer is?
38 Komt uit de mond van de Allerhoogste niet goed zowel als kwaad?
38 Komt niet uit de mond des Allerhoogsten
het kwade en het goede?
38 Mem. Gaat
[3:38] Jes 45:7. Amos 3:6.
niet uit den mond des Allerhoogsten het kwade en het goede?
38 Ontstaat niet het goed en het kwaad op het bevel van de Allerhoogste?
39 Wat klaagt een mens zolang hij nog leeft? Laat hij klagen over zijn zonden!
39 Wat klaagt dan een mens in het leven!
Ieder (klage) over zijn zonde.
39 Mem. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden.
39 Wat klaagt de mens, als hij leeft ondanks zijn zonden?

40 Laten we ons leven onderzoeken en doorvorsen, laten we terugkeren naar de HEER,

40 Laten wij onze wegen doorzoeken en doorvorsen
en ons bekeren tot de HERE.
40 Nun. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot den HEERE.

40 Laten wij naar ons eigen gedrag kijken en teruggaan naar de HEER,
41 laten we met onze handen ook ons hart opheffen tot God in de hemel.
41 Laten wij met de handen ons hart opheffen
tot God in de hemel:
41 Nun. Laat ons onze harten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in den hemel, zeggende:
41 niet met de hand, maar met het hart, gericht op God in de hemel.
42 Wij hebben gezondigd, wij zijn opstandig geweest, en u hebt ons niet vergeven.
42 Wij hebben overtreden en zijn weerspannig geweest –
Gij hebt niet vergeven.
42 Nun. Wij hebben overtreden, en wij zijn wederspannig geweest, daarom hebt Gij niet gespaard.
42 Wij waren ontrouw en opstandig: U vergaf het ons niet.
43 U hult u in toorn, u achtervolgt en doodt ons zonder mededogen.

43 Gij hebt U in toorn gehuld, Gij hebt ons vervolgd,
ons meedogenloos gedood.
43 Samech. Gij hebt ons met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd; Gij hebt ons gedood. Gij hebt niet verschoond.

43 Woedend hebt U ons vervolgd en ons zonder genade gedood.
44 U hult u in een wolk, geen gebed dringt tot u door.
44 Gij hebt U gehuld in een wolk,
ondoordringbaar voor het gebed.
44 Samech. Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam.
44 U hebt zich in wolken gehuld, ons gebed drong niet tot U door.
45 U maakt ons tot schuim en uitschot te midden van de volken.
45 Gij hebt ons gemaakt tot verachtelijk uitvaagsel
te midden van de volkeren.
45 Samech. Gij hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden der volken.
45 Uitvaagsel onder de volken maakt U van ons.
46 Al onze vijanden sperren hun mond naar ons open.

46 Tegen ons hebben hun mond opengesperd
al onze vijanden.
46 Pe. Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opgesperd.

46 Onze vijanden sperren hun muil open tegen ons.
47 Angst en afgrijzen, dood en verderf, ze houden ons in hun greep.
47 Schrik en strik zijn over ons gekomen,
verderf en breuk.
47 Pe. De vreze en de kuil zijn over ons gekomen, de verwoesting en de verbreking.
47 Een dodelijke schrik, ondergang en vernieling overviel ons.
48 Waterbeken stromen uit mijn ogen, om de rampspoed van mijn volk.
48 Waterbeken vloeien uit mijn oog
om de ondergang van de dochter mijns volks.
48 Pe. Met waterbeken loopt mijn oog neder, vanwege de breuk der dochter mijns volks.
48 Mijn oog stort stromen van tranen: mijn volk ging ten onder.
49 Mijn ogen vloeien van tranen, zonder rust, zonder ophouden,

49 Mijn oog baadt in tranen, zonder ophouden,
zonder verpozen,
49 Ain. Mijn oog vliet, en kan niet ophouden, omdat er geen rust is;

49 Mijn tranen blijven stromen en zonder ophouden ween ik,
50 totdat de HEER vanuit de hemel neerkijkt en mij ziet.
50 totdat de HERE nederziet
en neerschouwt uit de hemel.
50 Ain. Totdat het de HEERE van den hemel aanschouwe, en het zie.
50 totdat de HEER vanuit de hoge hemel naar mij omziet.
51 Wat ik zie, raakt mij in het hart: het lot van de vrouwen van mijn stad.
51 Mijn oog doet mij pijn
om al de dochteren mijner stad.
51 Ain. Mijn oog doet mijn ziele moeite aan, vanwege al de dochteren mijner stad.
51 Mijn ogen doen pijn van het wenen over mijn stad.
52 Mijn vijanden jaagden fel op mij, als op een vogel, al hadden ze geen reden.

52 Fel hebben zij mij, als een vogel, opgejaagd,
die mij vijandig zijn zonder oorzaak.
52 Tsade. Die mijn vijanden zijn zonder oorzaak, hebben mij als een vogeltje dapperlijk gejaagd.

52 Als een vogel joeg de vijand mij op – ik weet niet waarom –
53 Ze hebben mijn leven gesmoord in de put, mij afgedekt met een steen.
53 Zij hebben mijn leven in een put versmoord
en stenen op mij geworpen.
53 Tsade. Zij hebben mijn leven in een kuil uitgeroeid, en zij hebben een steen op mij geworpen.
53 en gooide mij levend in de put en bedolf mij onder stenen.
54 Het water sloot zich boven mijn hoofd, ik dacht: Ik ben verloren.
54 Wateren stroomden over mijn hoofd;
ik dacht: ik ben verloren.
54 Tsade. De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zeide: Ik ben afgesneden!
54 Het water steeg boven mij en ik riep: ‘Ik ben verloren.’

55 Uit de diepte van de put roep ik uw naam, HEER.

55 Ik roep uw naam aan, o HERE,
uit het onderste van de put.
55 Koph. HEERE! Ik heb Uw Naam aangeroepen uit den ondersten kuil.

55 Uit de diepte van de put riep ik uw naam aan: ‘HEER’.
56 U hoort mijn stem. Sluit uw oor niet voor mijn zuchten en mijn hulpgeroep.
56 Gij hoort mijn stem: verberg uw oor niet
voor mijn zuchten, mijn hulpgeschrei.
56 Koph. Gij hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen.
56 U hebt mijn roepen gehoord: ‘Blijf niet doof voor mijn klacht.’
57 Altijd als ik roep, bent u nabij; u zegt mij: ‘Wees niet bang.’
57 Gij zijt nabij ten dage, dat ik U aanroep,
Gij zegt: Vrees niet.
57 Koph. Gij hebt U genaderd ten dage, als ik U aanriep; Gij hebt gezegd: Vrees niet!
57 U hebt mij verhoord en U hebt gezegd: ‘Wees niet bang.’
58 U, Heer, neemt het voor mij op, u redt mijn leven.

58 Gij voert, o Here, mijn rechtsgeding,
Gij verlost mijn leven.
58 Resch. Heere! Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist, Gij hebt mijn leven verlost.

58 U bent voor mij opgekomen en U, Heer, hebt mijn leven gered.
59 U, HEER, ziet hoe mij onrecht wordt aangedaan; verschaf mij toch recht.
59 Gij ziet, o HERE, mijn verongelijking,
ach, verschaf mij recht.
59 Resch. HEERE! Gij hebt gezien de verkeerdheid, die men mij aangedaan heeft, oordeel mijn rechtzaak.
59 U hebt mijn onderdrukking gezien, HEER, en mij recht verschaft.
60 U doorziet hun wraakzucht, hun samenzwering tegen mij.
60 Gij ziet al hun wraakzucht,
al hun overleggingen tegen mij.
60 Resch. Gij hebt al hun wraak gezien, al hun gedachten tegen mij.
60 U hebt hun wraakzucht doorzien, hun samenzweringen tegen mij.
61 U hoort hoe zij mij honen, HEER, en hoe ze samenzweren:

61 Gij hoort, o HERE, hun smaad,
al hun overleggingen tegen mij,
61 Schin. HEERE! Gij hebt hun smaden gehoord, en al hun gedachten tegen mij;

61 U hebt gehoord hoe ze mij beledigen, HEER, U hebt hun samenzweringen gezien.
62 hun vijandige taal en hun gekonkel over mij, de hele dag door.
62 de taal van wie tegen mij opstaan, en hun gemompel
tegen mij, de ganse dag.
62 Schin. De lippen dergenen, die tegen mij opstaan, en hun dichten tegen mij den gansen dag.
62 Mijn vijanden zweren iedere dag tegen mij samen.
63 Zie hen in al hun doen en laten: ik word bezongen in hun spotlied.
63 Aanschouw hun zitten en hun opstaan:
Ik ben hun spotlied.
63 Schin. Aanschouw hun zitten en opstaan; ik ben hun snarenspel.
63 Kijk: of zij zitten of staan, ze spotten met mij.
64 HEER, u zult hen laten boeten voor al wat ze misdeden,

64 Gij zult hun vergelden, o HERE,
naar het werk hunner handen.
64 Thau. HEERE! geef hun weder die vergelding, naar het werk hunner handen.

64 Vergeld hun toch, HEER, wat ze mij hebben misdaan.
65 u zult hun geest verblinden – laat uw vloek hen treffen!
65 Gij zult hun geest verblinden –
uw vloek over hen!
65 Thau. Geef hun een deksel des harten; Uw vloek zij over hen!
65 Verblind hun hart en geest, en breng uw vloek over hen.
66 Laat uw toorn hen achtervolgen, vaag hen weg van onder uw hemel.
66 Gij zult hen in toorn vervolgen en verdelgen
van onder des HEREN hemel.
66 Thau. Vervolg ze met toorn, en verdelg ze van onder den hemel des HEEREN.
66 Vervolg hen, in uw toorn, HEER, vaag hen weg van de aarde.

De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

NBG-vertaling 1951
© 1951 Nederlands Bijbelgenootschap

Statenvertaling (Jongbloed-editie)

Willibrordvertaling (herziene editie 1995)
© 1995 Katholieke Bijbelstichting

Kijkt u ook eens naar:
Voor informatie over hoe het NBG omgaat met de privacy van websitebezoekers: klik hier.
Vragen? Stuur een e-mail naar
info@bijbelgenootschap.nl
visitor stats