|
Een feestmaal op sabbat
14
1 Toen hij op sabbat naar het huis van een vooraanstaande farizeeër ging, waar hij voor een maaltijd was uitgenodigd, hielden ze hem in het oog.
|
De genezing van een waterzuchtige op sabbat
14
1 En het geschiedde, toen Hij op sabbat in het huis van een der hoofden van de Farizeeën kwam om brood te eten, dat zij nauwkeurig acht op Hem sloegen.
|
Genezing van een waterzuchtigen man op sabbat
14
1 En het geschiedde, als Hij gekomen was in het huis van een der oversten der farizeeën, op den sabbat, om brood te eten, dat zij Hem waarnamen.
|
Genezing van een waterzuchtige op sabbat
14
1 Op een sabbat ging Hij bij een van de leiders van de farizeeën thuis eten; zij letten scherp op Hem.
|
|
2 Er was daar iemand met waterzucht.
|
2 En zie, er stond een waterzuchtig mens vóór Hem.
|
2 En ziet, er was een zeker waterzuchtig mens voor Hem.
|
2 Opeens stond iemand voor Hem die waterzucht had.
|
|
3 Jezus vroeg aan de wetgeleerden en de farizeeën: ‘Is het toegestaan hem op sabbat te genezen of niet?’
|
3 En Jezus antwoordde en zeide tot de wetgeleerden en Farizeeën, zeggende: Is het geoorloofd op de sabbat te genezen of niet?
|
3 En Jezus, antwoordende, zeide tot de wetgeleerden en farizeeën, en sprak: Is het ook geoorloofd op den sabbat gezond te maken?
|
3 Daarop vroeg Jezus de wetgeleerden en farizeeën: ‘Mag men op sabbat iemand genezen of niet?’
|
|
4 Maar ze zwegen. Hij pakte de man bij de hand, genas hem en stuurde hem weg.
|
4 En zij hielden zich stil. En Hij vatte hem bij de hand en Hij genas hem en liet hem gaan.
|
4 Maar zij zwegen stil. En Hij nam hem, en genas hem, en liet hem gaan.
|
4 Maar zij hielden zich stil. Hij nam de man bij de hand, genas hem en liet hem gaan.
|
|
5 En tegen de farizeeën en wetgeleerden zei hij: ‘Als uw zoon of uw os in een put valt, dan haalt u hem er toch meteen uit, ook al is het sabbat?’
|
5 En Hij zeide tot hen: Als een zoon of een os van iemand van u in een put valt, wie zal hem er dan niet terstond uittrekken (ook) op de sabbatdag?
|
5 En Hij, hun antwoordende, zeide: Wiens ezel of os van ulieden zal in een put vallen, en die hem niet terstond zal uittrekken op den dag des sabbats?
|
5 Toen zei Hij tegen hen: ‘Wie van u zou, als zijn zoon of zijn os in een put valt, die er niet meteen uithalen, ook al is het sabbat?’
|
|
6 En daarop hadden ze geen antwoord.
|
6 En zij waren niet in staat iets daartegen in te brengen.
|
6 En zij konden Hem daarop niet weder antwoorden.
|
6 Zij konden daar niets tegen inbrengen.
|
|
7 Hij vertelde de genodigden een gelijkenis, want hij had gezien hoe ze de ereplaatsen voor zichzelf kozen. Hij zei tegen hen:
|
De hoogste en laagste plaats
7 Hij sprak tot de genodigden een gelijkenis, omdat Hij bemerkte, hoe zij de eerste plaatsen uitkozen, en zeide tot hen:
|
Vermaning tot ootmoed
7 En Hij zeide tot de genoden een gelijkenis, aanmerkende, hoe zij de vooraanzittingen verkozen; zeggende tot hen:
|
De ereplaats
7 Omdat Hij zag hoe de genodigden de ereplaatsen uitzochten, hield Hij hun een gelijkenis voor:
|
|
8 ‘Wanneer u door iemand wordt uitgenodigd voor een bruiloft, kies dan niet de ereplaats, want misschien is er wel iemand uitgenodigd die voornamer is dan u,
|
8 Wanneer gij door iemand op een bruiloft genodigd zijt, ga dan niet op de eerste plaats aanliggen. Misschien is er iemand, voornamer dan gij, door hem genodigd;
|
8 Wanneer gij van iemand ter bruiloft genood zult zijn, zo zet u niet in de eerste zitplaats; opdat niet misschien een waardiger dan gij van hem genood zij;
|
8 ‘Wanneer u op een bruiloft bent genodigd, ga dan niet op de ereplaats zitten. Misschien heeft de gastheer iemand uitgenodigd die belangrijker is dan u,
|
|
9 en dan moet uw gastheer tegen u zeggen: “Sta uw plaats aan hem af.” Dan zult u beschaamd de minste plaats moeten innemen.
|
9 en dan zou hij, die u en hem genodigd heeft, komen en tot u zeggen: Maak plaats voor deze, en dan zoudt gij tot uw schande de laatste plaats moeten gaan innemen.
|
9 En hij, komende, die u en hem genood heeft, tot u zegge: Geef dezen plaats; en gij alsdan zoudt beginnen met schaamte de laatste plaats te houden.
|
9 en dan zal hij naar u toe komen en zeggen: “Sta uw plaats aan hem af.” Vol schaamte moet u dan achteraan gaan zitten.
|
|
10 Als u wordt uitgenodigd, kies dan de minste plaats, zodat uw gastheer tegen u zal zeggen: “Kom toch dichterbij!” Dan wordt u eer betoond ten overstaan van iedereen die samen met u aan tafel aanligt.
|
10 Maar wanneer gij genodigd zijt, ga dan, als gij erheen gaat, op de laatste plaats aanliggen. Dan zal misschien hij, die u genodigd heeft, wanneer hij binnenkomt, tot u zeggen: Vriend, kom meer naar voren. Dan zal dat u tot eer zijn tegenover allen, die met u aanliggen.
|
10 Maar wanneer gij genood zult zijn, ga heen en zet u in de laatste plaats; opdat, wanneer hij komt, die u genood heeft, hij tot u zegge: Vriend, ga hoger op. Alsdan zal het u eer zijn voor degenen, die met u aanzitten.
|
10 Ga liever, als u ergens uitgenodigd bent, achteraan zitten. Dan zal de gastheer naar u toe komen en zeggen: “Vriend, kom meer naar voren.” Dat zal een eer voor u zijn in het oog van al uw disgenoten.
|
|
11 Want wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, en wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden.’
|
11 Want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.
|
11 Want een iegelijk, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.
|
11 Iedereen immers die zich verheft zal vernederd worden, maar wie zich vernedert zal verheven worden.’
|
|
12 Hij zei ook tegen degene die hem had uitgenodigd: ‘Wanneer u een maaltijd aanbiedt of een feestmaal geeft, vraag dan niet uw vrienden, uw broers, uw verwanten of uw rijke buren, in de verwachting dat zij u op hun beurt zullen uitnodigen om iets terug te doen.
|
Wie men moet nodigen
12 Hij zeide ook tot die Hem genodigd had: Wanneer gij een middag- of avondmaaltijd aanricht, roep dan niet uw vrienden of uw broeders of uw verwanten of uw rijke buren; die zouden immers op hun beurt u ook kunnen uitnodigen en gij zoudt terugbetaling ontvangen.
|
12 En Hij zeide ook tot dengene, die Hem genood had: Wanneer gij een middagmaal of avondmaal zult houden, zo roep niet uw vrienden, noch uw broeders, noch uw magen, noch uw rijke geburen; opdat ook dezelve u niet te eniger tijd wedernoden, en u vergelding geschiede.
|
De gasten
12 Hij zei ook nog, nu tegen zijn gastheer: ‘Wanneer u ’s middags of ’s avonds een feestmaal geeft, roep dan niet uw vrienden bij elkaar, of uw broers, of uw familie, of rijke buren. Die zouden u op hun beurt uitnodigen, om iets terug te doen.
|
|
13 Wanneer u mensen ontvangt, nodig dan armen, kreupelen, verlamden en blinden uit.
|
13 Maar wanneer gij een gastmaal aanricht, nodig dan bedelaars, misvormden, lammen en blinden.
|
13 Maar wanneer gij een maaltijd zult houden, zo nood armen, verminkten, kreupelen, blinden;
|
13 Nodig liever, als u een feest aanricht, armen uit, gebrekkigen, kreupelen en blinden.
|
|
14 Dan zult u gelukkig zijn, zij kunnen voor u dan wel niets terugdoen, maar u zult ervoor beloond worden bij de opstanding van de rechtvaardigen.’
|
14 En gij zult zalig zijn, omdat zij niets hebben om u terug te betalen. Want het zal u terugbetaald worden bij de opstanding der rechtvaardigen.
|
14 En gij zult zalig zijn, omdat zij niet hebben, om u te vergelden; want het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen.
|
14 Wat een geluk voor u dat zij er niets tegenover kunnen stellen. Want het zal u teruggegeven worden bij de opstanding van de rechtvaardigen.’
|
|
15 Toen een van de anderen die aan tafel aanlagen dit hoorde, zei hij tegen hem: ‘Gelukkig al wie zal deelnemen aan de maaltijd in het koninkrijk van God!’
|
De gelijkenis van de verontschuldigingen
15 Toen iemand van de disgenoten dat hoorde, zeide hij tot Hem: Zalig wie brood eten zal in het Koninkrijk Gods.
|
Gelijkenis van het grote avondmaal
15 En als een van degenen, die mede aanzaten, deze dingen hoorde, zeide hij tot Hem: Zalig is hij, die brood eet in het Koninkrijk Gods.
|
Gelijkenis van een feestmaal
15 Een van de disgenoten, die dit hoorde, zei tegen Hem: ‘Wat een geluk als je eten mag in het koninkrijk van God.’
|
|
16 Jezus vervolgde: ‘Iemand wilde een groot feestmaal geven en nodigde tal van gasten uit.
|
16 Hij zeide tot hem: Iemand richtte een grote maaltijd aan en nodigde velen.
|
16 Maar Hij zeide tot hem: Een zeker mens bereidde een groot avondmaal, en hij noodde er velen.
|
16 Hij zei tegen hem: ‘Iemand gaf eens een groot feestmaal, waarvoor hij veel mensen had uitgenodigd.
|
|
17 Toen het tijd was voor het feestmaal, stuurde hij zijn dienaar naar de genodigden om tegen hen te zeggen: “Kom, want alles is klaar.”
|
17 En hij zond zijn slaaf uit tegen het uur van de maaltijd om tot de genodigden te zeggen: Komt, want het is nu gereed.
|
17 En hij zond zijn dienstknecht uit ten ure des avondmaals, om den genoden te zeggen: Komt, want alle dingen zijn nu gereed.
|
17 Tegen de tijd dat de maaltijd kon beginnen, stuurde hij zijn slaaf eropuit om tegen de genodigden te zeggen: “Kom, alles staat nu klaar.”
|
|
18 Maar een voor een begonnen ze zich te verontschuldigen. De eerste zei: “Ik heb net een akker gekocht, die ik beslist moet gaan bekijken. Tot mijn spijt kan ik de uitnodiging niet aannemen.”
|
18 En zij begonnen zich allen opeens te verontschuldigen. De eerste zeide tot hem: Ik heb een akker gekocht en ik moet die noodzakelijk gaan bezien; ik verzoek u, houd mij voor verontschuldigd.
|
18 En zij begonnen allen zich eendrachtelijk te ontschuldigen. De eerste zeide tot hem: Ik heb een akker gekocht, en het is nodig, dat ik uitga, en hem bezie; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.
|
18 Maar opeens begonnen ze zich allemaal te verontschuldigen. De een zei tegen hem: “Ik heb een akker gekocht en die moet ik dringend gaan bekijken; ik verzoek u mij te verontschuldigen.”
|
|
19 En een ander zei: “Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga ze keuren; tot mijn spijt kan ik de uitnodiging niet aannemen.”
|
19 En een ander zeide: Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga die keuren; ik verzoek u, houd mij voor verontschuldigd.
|
19 En een ander zeide: Ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga heen, om die te beproeven; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.
|
19 Een ander zei: “Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga ze nu proberen; ik verzoek u mij te verontschuldigen.”
|
|
20 Weer een ander zei: “Ik ben pas getrouwd en daarom kan ik niet komen.”
|
20 Weer een ander zeide: Ik heb een vrouw getrouwd en daarom kan ik niet komen.
|
20 En een ander zeide: Ik heb een vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen.
|
20 Weer een ander zei: “Ik ben pas getrouwd en daarom kan ik niet komen.”
|
|
21 Toen de dienaar teruggekomen was, bracht hij zijn heer verslag uit. De heer des huizes ontstak in woede en zei tegen zijn dienaar: “Ga vlug de stad in en breng uit de straten en stegen de armen en kreupelen en blinden en verlamden hierheen.”
|
21 En de slaaf kwam terug en berichtte zijn heer deze dingen. Toen werd de heer des huizes toornig en zeide tot zijn slaaf: Ga aanstonds de straten en stegen der stad in en breng de bedelaars en misvormden en blinden en lammen hier.
|
21 En dezelve dienstknecht wedergekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijn heer. Toen werd de heer des huizes toornig, en zeide tot zijn dienstknecht: Ga haastelijk uit in de straten en wijken der stad, en breng de armen, en verminkten, en kreupelen, en blinden hier in.
|
21 Bij zijn thuiskomst bracht de slaaf zijn meester hiervan op de hoogte. Toen werd de heer des huizes woedend, en zei tegen de slaaf: “Vlug, ga de straat op, de stegen van de stad in, en breng de armen, de gebrekkigen, de blinden en de kreupelen hier binnen.”
|
|
22 Toen de dienaar hem kwam melden: “Heer, wat u hebt opgedragen is gebeurd, en nog is er plaats,”
|
22 En de slaaf zeide: Heer, wat gij hebt opgedragen, is geschied en nog is er plaats.
|
22 En de dienstknecht zeide: Heere, het is geschied, gelijk gij bevolen hebt, en nog is er plaats.
|
22 “Mijnheer,” zei de slaaf, “uw bevel is al uitgevoerd en er is nog steeds plaats.”
|
|
23 zei de heer tegen hem: “Ga naar de wegen en de akkers buiten de stad en nodig iedereen met klem uit, want mijn huis moet vol zijn.
|
23 En de heer zeide tot de slaaf: Ga de wegen en de paden op en dwing hen binnen te komen, want mijn huis moet vol worden.
|
23 En de heer zeide tot den dienstknecht: Ga uit in de wegen en heggen; en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde;
|
23 Daarop zei de heer tegen de slaaf: “Ga dan de wegen en het land op en dwing hen binnen te komen, zodat mijn huis vol raakt.”
|
|
24 Ik zeg jullie: niemand van degenen die eerst uitgenodigd waren, zal van mijn feestmaal proeven.”’
|
24 Want ik zeg u: Niemand van die mannen, welke genodigd waren, zal van mijn maaltijd proeven.
|
24 Want ik zeg ulieden, dat niemand van die mannen, die genood waren, mijn avondmaal smaken zal.
|
24 Want Ik verzeker u, geen van die mensen die genodigd waren, zal van mijn maaltijd proeven.’
|
|
Het volgen van Jezus
25 Grote mensenmenigten trokken met Jezus mee. Hij wendde zich tot hen en zei:
|
Alles verlaten om Jezus’ wil
25 Vele scharen reisden met Hem mede, en Zich omkerende zeide Hij tot hen:
|
Gelijkenis over bedachtzaamheid
25 En vele scharen gingen met Hem; en Hij, Zich omkerende, zeide tot hen:
|
De ware leerling
25 Grote drommen mensen trokken met Hem mee. Hij richtte zich tot hen en zei:
|
|
26 ‘Wie mij volgt, maar niet breekt met zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja zelfs met zijn eigen leven, kan niet mijn leerling zijn.
|
26 Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn.
|
26 Indien iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders, en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.
|
26 ‘Wie naar Mij toe komt, moet zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja, zelfs zijn eigen leven verfoeien; anders kan hij geen leerling van Mij zijn.
|
|
27 Wie niet zijn kruis draagt en mij op mijn weg volgt, kan niet mijn leerling zijn.
|
27 Wie niet zijn kruis draagt en achter Mij komt, kan mijn discipel niet zijn.
|
27 En wie zijn kruis niet draagt, en Mij navolgt, die kan Mijn discipel niet zijn.
|
27 Hij moet zijn kruis dragen en Mij volgen; anders kan hij geen leerling van Mij zijn.
|
|
28 Want wie van jullie die een toren wil bouwen gaat niet eerst de kosten berekenen, om te zien of hij wel genoeg heeft voor de bouw?
|
28 Want wie van u, die een toren wil bouwen, zet zich niet eerst neder om de kosten te berekenen, of hij het werk zal kunnen volbrengen?
|
28 Want wie van u, willende een toren bouwen, zit niet eerst neder, en overrekent de kosten, of hij ook heeft, hetgeen tot volmaking nodig is?
|
28 Als een van u een toren wil bouwen, gaat hij er toch eerst eens voor zitten om de kosten te begroten, om te zien of hij het werk kan voltooien.
|
|
29 Als hij het fundament gelegd heeft maar de bouw niet kan voltooien, zal iedereen die dat ziet hem uitlachen
|
29 Anders zouden, als hij de fundering gemaakt had, en het werk niet kon voltooien, allen, die het zagen, beginnen hem te bespotten,
|
29 Opdat niet misschien, als hij het fondament gelegd heeft, en niet kan voleindigen, allen, die het zien, hem beginnen te bespotten,
|
29 Want anders, als hij wel het fundament legt maar de bouw niet kan afmaken, zal iedereen die het ziet hem uitlachen
|
|
30 en zeggen: “Die man begon te bouwen, maar het karwei afmaken kon hij niet.”
|
30 zeggende: Die man begon te bouwen, maar hij kon het niet voltooien.
|
30 Zeggende: Deze mens heeft begonnen te bouwen, en heeft niet kunnen voleindigen.
|
30 en zeggen: “Hij begon te bouwen, maar afmaken kon hij het niet.”
|
|
31 En welke koning die eropuit trekt om met een andere koning oorlog te voeren, zal niet eerst bij zichzelf te rade gaan of hij wel met tienduizend man kan optrekken tegen iemand die met twintigduizend man tegen hem oprukt?
|
31 Of, welke koning, die tegen een andere koning wil optrekken om met hem tot een treffen te komen, zet zich niet eerst neder om te beraadslagen, of hij in staat is met tienduizend man iemand te ontmoeten, die met twintigduizend tegen hem optrekt?
|
31 Of wat koning, gaande naar den krijg, om tegen een anderen koning te slaan, zit niet eerst neder, en beraadslaagt, of hij machtig is met tien duizend te ontmoeten dengene, die met twintig duizend tegen hem komt?
|
31 Of als een koning ten oorlog trekt tegen een andere koning, dan gaat hij er toch eerst eens voor zitten om te beraadslagen of hij sterk genoeg is om met tienduizend man op te trekken tegen de ander, die met twintigduizend man op hem afkomt.
|
|
32 Als hij dat niet kan, stuurt hij eerst, wanneer de troepen nog ver van elkaar verwijderd zijn, een gezant om naar de voorwaarden voor vrede te vragen.
|
32 En zo niet, dan zendt hij, als de ander nog veraf is, een gezantschap en vraagt om de vredesvoorwaarden.
|
32 Anderszins zendt hij gezanten uit, terwijl diegene nog verre is, en begeert, hetgeen tot vrede dient.
|
32 Als dat niet zo is stuurt hij, terwijl de ander nog ver weg is, een gezantschap naar hem toe om naar de vredesvoorwaarden te vragen.
|
|
33 Zo geldt ook voor jullie: wie geen afstand doet van al zijn bezittingen, kan mijn leerling niet zijn.
|
33 Zo zal dus niemand van u, die niet afstand doet van al wat hij heeft, mijn discipel kunnen zijn.
|
33 Alzo dan een iegelijk van u, die niet verlaat alles, wat hij heeft, die kan Mijn discipel niet zijn.
|
33 Zo moet ieder van u afstand doen van alles wat hij bezit; anders kan hij geen leerling van Mij zijn.
|
|
34 Zout is iets goeds. Maar als ook het zout zijn smaak verliest, hoe kunnen we het dan zijn kracht teruggeven?
|
34 Het zout is wel goed, maar wanneer zelfs het zout zijn kracht verliest, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden?
|
34 Het zout is goed; maar indien het zout smakeloos geworden is, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden?
|
34 Kortom, zout is iets kostelijks. Maar als het zijn kracht verliest kan het onmogelijk weer zout gemaakt worden.
|
|
35 Ook voor de bemesting van de grond is het niet meer bruikbaar, dus wordt het weggegooid. Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren!’
|
35 Noch voor het land, noch voor de mesthoop is het geschikt: men werpt het weg. Wie oren heeft om te horen, die hore!
|
35 Het is noch tot het land, noch tot den mesthoop bekwaam; men werpt het weg. Wie oren heeft, om te horen, die hore.
|
35 Dan deugt het niet voor op het land en ook niet voor in de mest; je kunt het weggooien. Wie oren heeft om te horen, moet horen.’
|
De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap
|
NBG-vertaling 1951
© 1951 Nederlands Bijbelgenootschap |
Statenvertaling (Jongbloed-editie)
|
Willibrordvertaling (herziene editie 1995)
© 1995 Katholieke Bijbelstichting |