Passage opvragen   Tekst zoeken  
Passage:
Bijvoorbeeld:
  • Genesis
  • Gen
  • Gen 1
  • Gen 1:10
  • Gen 1:1-10
Woord(en):
Bijvoorbeeld:
  • evangelie
  • "groot en machtig"
  • koning*
Zoeken in:
Bijbelboeken selecteren...
Bijbelversie(s):
Andere bijbelversie(s) weergeven:
De Nieuwe Bijbelvertaling [NBV]
Statenvertaling (Jongbloed-editie) [SV-J]
NBG-vertaling 1951 [NBG51]
Willibrordvertaling 1995 [WV95]
Groot Nieuws Bijbel 1996 [GNB96]
Meer (Nederlands)...
Statenvertaling 1637[SV1637]
Statenvertaling editie 1977[SV1977]
Meer (buitenlands)...
Engels...
King James Version, 1611 [KJV]
American Standard Version, 1901 [ASV]
Good News Bible, 1992 [GNB]
Contemporary English Version, 1999 [CEV]
World English Bible, 2002 [WEB]
Frans...
Louis Segond, 1910 [SEG]
Duits...
Luthervertaling, 1545 [L45]
Spaans...
Reina-Valera Revisada, 1995 [RVR95]
Noten bij RVR 1995 [RVR95n]
Dios Habla Hoy, 2002 [DHH]
Noten bij DHH 2002 [DHHn]
Catalaans...
Biblia Catalana Interconfessional, 1993 [BCI]
Kroatisch...
Kroatische bijbel (KS), 1994 [HKS]
Latijn...
Vulgata, 4e-5e eeuw (gereconstrueerd) [VUL]
Vulgata Clementina, 1592 [VLC]
Roemeens...
Biblia Cornilescu, 1921 [RCB]
Russisch...
Russische Synodale Vertaling, 1876 [RUS]
Sloveens...
Dalmatin-bijbel 1584 (gedeeltelijk) [DAL]
Chraska-vertaling 1914 [CHR]
Oecumenische Editie 1974 [EKU]
Jubilee New Testament + Psalms 1984 [JUB]
Sloveense Standaardvertaling 1997 [SSP]
Studie-voetnoten bij SSP 1997 [SSP-Op]
Tekstverwijzingen bij SSP 1997 [SSP-Ref]
Sloveense Standaardvertaling 2006 [SSP3]

Lucas 8

Lucas :1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24

Verkondiging van het koninkrijk van God
8
Kort daarop begon hij rond te trekken van stad tot stad en van dorp tot dorp om het goede nieuws over het koninkrijk van God te verkondigen. De twaalf vergezelden hem,
De vrouwen die Jezus dienden
8
En het geschiedde kort daarna, dat Hij van stad tot stad en van dorp tot dorp trok, verkondigende het evangelie van het Koninkrijk Gods, en de twaalven met Hem,
De vrouwen, die Jezus volgden
8
1 En het geschiedde daarna, dat Hij reisde van de ene stad en vlek tot de andere, predikende en verkondigende het Evangelie van het Koninkrijk Gods; en de twaalven waren met Hem;
Vrouwen trekken met Jezus mee
8
1 In de tijd die daarop volgde trok Hij door steden en dorpen om de goede boodschap van het koninkrijk van God te verkondigen. De twaalf vergezelden Hem,
en ook enkele vrouwen die van boze geesten en ziekten genezen waren: Maria uit Magdala, bij wie zeven demonen waren uitgedreven, en enige vrouwen, die genezen waren van boze geesten en van ziekten: Maria, met de bijnaam: van Magdala, van wie zeven boze geesten uitgegaan waren,
2 En
[8:2] Matt 27:55, 56.
sommige vrouwen, die van boze geesten en krankheden genezen waren, namelijk Maria, genaamd Magdaléna, van
[8:2] Mark 16:9.
welke zeven duivelen uitgegaan waren;
2 en ook enkele vrouwen, die van boze geesten en ziekten genezen waren – Maria van Magdala, uit wie zeven demonen waren weggegaan,
Johanna, de vrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes, en Susanna – en nog tal van anderen, die uit hun eigen middelen voor hen zorgden. en Johanna, de vrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes, en Susanna en vele andere, die hen dienden met hetgeen zij bezaten.
3 En Johanna, de huisvrouw van Chûsas, den rentmeester van Heródes, en Susanna, en vele anderen, die Hem dienden van haar goederen.
3 Johanna, de vrouw van Chusas, een hoge beambte van Herodes, en Susanna – en nog vele andere vrouwen, die hen uit eigen middelen onderhielden.
Toen er vanuit de steden mensen naar hem toe gekomen waren en er zich een grote menigte verzameld had, vertelde hij deze gelijkenis:
De gelijkenis van de zaaier
Toen er nu veel volk samenstroomde en uit elke stad mensen tot Hem kwamen, sprak Hij door een gelijkenis:
Gelijkenis van het zaad
4 Als
[8:4] Matt 13:3. Mark 4:2.
nu een grote schare bijeenvergaderde, en zij van alle steden tot Hem kwamen, zo zeide Hij door gelijkenis:
Gelijkenis van het zaad
4 Een grote menigte verzamelde zich en uit alle steden kwamen de mensen naar Hem toe. Toen vertelde Hij deze gelijkenis:
‘Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien. Terwijl hij daarmee bezig was, viel er wat zaad op de weg. Het werd vertrapt en door de vogels opgegeten. Een zaaier ging uit om zijn zaad te zaaien. En bij het zaaien viel een deel langs de weg en het werd vertrapt en de vogelen des hemels aten het op.
5 Een zaaier ging uit, om zijn zaad te zaaien; en als hij zaaide, viel het ene bij den weg, en werd vertreden, en de vogelen des hemels aten dat op.
5 ‘Een zaaier ging het land op om zijn zaad te zaaien. Bij het zaaien viel er een deel op het pad; het werd vertrapt en de vogels van de hemel aten het op.
Er viel ook wat zaad op rotsachtige bodem, maar toen het opschoot, droogde het uit door gebrek aan water. En een ander deel viel op de rotsbodem, en toen het opkwam, verdorde het, omdat het geen vochtigheid had.
6 En het andere viel op een steenrots, en opgewassen zijnde, is het verdord, omdat het geen vochtigheid had.
6 Een ander deel viel op rotsige bodem; het kwam wel op, maar het verdorde door gebrek aan vocht.
Ander zaad viel tussen de distels, en toen de distels opschoten verstikten ze het. En een ander deel viel midden tussen de dorens, en de dorens kwamen tegelijk op en verstikten het.
7 En het andere viel in het midden van de doornen, en de doornen mede opwassende, verstikten hetzelve.
7 Weer een ander deel viel tussen de distels, maar ook de distels groeiden op en ze verstikten het.
Maar er viel ook wat zaad in vruchtbare aarde, en dat bracht honderdvoudig vrucht voort toen het was opgeschoten.’ Hij voegde er met luide stem aan toe: ‘Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren.’ Een ander deel viel in goede aarde, en toen dat opgekomen was, bracht het honderdvoudige vrucht voort. Dit zeggende, riep Hij: Wie oren heeft om te horen, die hore.
8 En het andere viel op de goede aarde, en opgewassen zijnde, bracht het honderdvoudige vrucht voort. Dit zeggende, riep Hij: Wie oren heeft, om te horen, die hore.
8 En weer een ander deel viel in goede aarde; het kwam op en droeg honderdvoudig vrucht.’ En Hij besloot met de uitroep: ‘Wie oren heeft om te horen, moet horen.’
Zijn leerlingen vroegen hem wat deze gelijkenis betekende.
Zijn discipelen vroegen Hem, wat de bedoeling van deze gelijkenis was.
9 En
[8:9] Matt 13:10. Mark 4:10.
Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Wat mag deze gelijkenis wezen?
9 Zijn leerlingen vroegen Hem wat de gelijkenis betekende.
10 Hij antwoordde: ‘Jullie mogen de geheimen van het koninkrijk van God kennen, maar de anderen krijgen alles in gelijkenissen te horen, opdat ze zien zonder inzicht en horen zonder iets te begrijpen. 10 En Hij zeide: U is het gegeven de geheimenissen van het Koninkrijk Gods te kennen, maar aan de anderen (worden zij gepredikt) in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien en horende niet begrijpen.
10 En Hij zeide: U is het gegeven,
[8:10] 2 Kor 3:5.
de verborgenheden van het Koninkrijk Gods te verstaan; maar
[8:10] Matt 11:25. 2 Kor 3:14.
tot de anderen spreek Ik in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien, en horende niet verstaan.
10 Hij zei: ‘Jullie is het gegeven de geheimen van het koninkrijk van God te kennen, maar de anderen moeten het doen met gelijkenissen, opdat ze kijken, maar niet zien; horen, maar niet verstaan.
11 Dit is de betekenis van de gelijkenis: Het zaad is het woord van God. 11 Dit is de gelijkenis: Het zaad is het woord Gods.
11 Dit
[8:11] Matt 13:18. Mark 4:13.
is nu de gelijkenis: Het zaad is het Woord Gods.
11 Dit betekent de gelijkenis: het zaad is het woord van God.
12 Het zaad op de weg, dat zijn zij die geluisterd hebben, maar daarna komt de duivel en graait het woord weg uit hun hart, om te voorkomen dat ze worden gered door te geloven. 12 Die langs de weg, zijn zij, die het gehoord hebben; daarna komt de duivel en neemt het woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden geloven en behouden worden.
12 En die bij den weg bezaaid worden, zijn dezen, die horen; daarna komt de duivel, en neemt het Woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden geloven, en zalig worden.
12 Die op het pad zijn zij die het woord horen, maar dan komt de duivel en pakt het weg uit hun hart om te voorkomen dat ze gaan geloven en gered worden.
13 Het zaad op de rotsachtige bodem, dat zijn zij die het woord vol vreugde aannemen wanneer ze het horen, maar het schiet geen wortel; ze geloven zolang het hun goed uitkomt, maar als ze op de proef worden gesteld, worden ze afvallig. 13 Die op de rotsbodem, zijn zij, die het woord, zodra zij het horen, met blijdschap ontvangen; en dezen hebben geen wortel, zij geloven voor een tijd en in een tijd van beproeving worden zij afvallig.
13 En
[8:13] Matt 13:20. Mark 4:16.
die op de steenrots bezaaid worden, zijn dezen, die, wanneer zij het gehoord hebben, het Woord met vreugde ontvangen; en dezen hebben geen wortel, die maar voor een tijd geloven, en in den tijd der verzoeking wijken zij af.
13 Die op de rotsige bodem zijn zij die het woord met vreugde aannemen wanneer ze het horen, maar ze hebben geen wortel; ze geloven enige tijd, maar op het moment van de beproeving worden ze afvallig.
14 Het zaad dat tussen de distels valt, dat zijn zij die wel geluisterd hebben, maar door zorgen en rijkdom en de genoegens van het leven worden ze gaandeweg verstikt, zodat ze geen vrucht dragen. 14 Wat in de dorens viel, dat zijn zij, die het gehoord hebben; en gaandeweg worden zij door zorgen en rijkdom en lusten des levens verstikt en zij brengen het niet tot vrucht.
14 En dat in de doornen valt, zijn dezen, die gehoord hebben, en heengaande verstikt worden door de zorgvuldigheden, en rijkdom, en wellusten des levens, en voldragen geen vrucht.
14 Wat in de distels valt zijn zij die horen, maar gaandeweg worden ze door zorgen, rijkdom en de genoegens van het leven verstikt en raken niet volgroeid.
15 Het zaad in de vruchtbare grond, dat zijn zij die met een goed en eerlijk hart naar het woord hebben geluisterd, het koesteren en door standvastigheid vrucht dragen. 15 Dat in goede aarde, dat zijn zij, die met een goed en vroom hart het woord gehoord hebbende, dat vasthouden en vrucht dragen in volharding.
15 En dat in de goede aarde valt, zijn dezen, die, het Woord gehoord hebbende, hetzelve in een eerlijk en goed hart bewaren, en in volstandigheid vruchten voortbrengen.
15 Wat in goede aarde valt zijn zij die het woord met een goed en edel hart horen en vasthouden, die volharden en vrucht dragen.
16 Wie een lamp heeft aangestoken, dooft hem niet meteen weer door hem te bedekken en zet hem ook niet onder een bed, nee, hij plaatst hem op een standaard, zodat iedereen die binnenkomt het licht ziet.
Het ware horen
16 Niemand steekt een lamp aan en bedekt die met een vat of zet haar onder een bed, maar hij zet haar op een standaard, opdat wie binnentreden het licht mogen zien.
Gelijkenis van de kaars
16 En
[8:16] Matt 5:15. Mark 4:21. Luk 11:33.
niemand, die een kaars ontsteekt, bedekt dezelve met een vat, of zet ze onder een bed; maar zet ze op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen.
16 Niemand steekt een lamp aan om die te verstoppen of onder een bed te zetten, maar je zet hem op een standaard; dan ziet iedereen die binnenkomt het licht.
17 Want niets dat verborgen is blijft geheim; alles wat verborgen is zal bekend worden en aan het licht komen. 17 Want er is niets verborgen, dat niet aan het licht zal komen, en niets geheim, dat niet zal bekend worden en aan het licht komen.
17 Want er is niets verborgen, dat niet openbaar zal worden; noch heimelijk, dat niet bekend zal worden, en in het openbaar komen.
17 Want er is niets geheim dat niet openbaar wordt, en niets verborgen dat niet bekend wordt en aan het licht komt.
18 Let dus goed op hoe jullie luisteren: want wie iets heeft zal nog meer krijgen; maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij denkt te hebben worden ontnomen.’ 18 Ziet dan toe, hoe gij hoort. Want wie heeft, hem zal gegeven worden, en wie niet heeft, ook wat hij meent te hebben, zal hem ontnomen worden.
18 Ziet dan, hoe gij hoort; want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en zo wie niet heeft, ook hetgeen hij meent te hebben, zal van hem genomen worden.
18 Let dus goed op hoe je hoort; want aan degene die heeft, zal gegeven worden, en aan degene die niets heeft, zal zelfs nog ontnomen worden wat hij dacht te hebben.’
19 Zijn moeder en zijn broers kwamen naar hem toe, maar ze konden niet bij hem komen vanwege de menigte.
Jezus en zijn verwanten
19 Zijn moeder en broeders kwamen tot Hem en zij konden Hem niet bereiken vanwege de schare.
Familie van Jezus
19 En Zijn moeder en Zijn broeders kwamen tot Hem, en konden bij Hem niet komen, vanwege de schare.
De echte verwanten
19 Zijn moeder en zijn broers kwamen naar Hem toe, maar wegens de drukte konden ze Hem niet bereiken.
20 Zijn toehoorders zeiden tegen hem: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten, ze willen u spreken.’ 20 Men boodschapte Hem: Uw moeder en uw broeders staan buiten en willen U zien.
20 En Hem werd geboodschapt van enigen, die zeiden: Uw moeder en Uw broeders staan daar buiten, begerende U te zien.
20 Men liet Hem weten: ‘Uw moeder en uw broers staan daarginds en willen U zien.’
21 Maar hij antwoordde: ‘Mijn moeder en mijn broers zijn degenen die naar het woord van God luisteren en ernaar handelen.’ 21 Hij antwoordde echter en zeide tot hen: Mijn moeder en mijn broeders zijn dezen, die het woord Gods horen en doen.
21 Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Mijn
[8:21] Joh 15:14. 2 Kor 5:16.
moeder en Mijn broeders zijn dezen, die Gods Woord horen, en datzelve doen.
21 Hij antwoordde hun: ‘Mijn moeder en mijn broers zijn zij die het woord van God horen en doen.’
Naar de overkant van het meer
22 Op een van die dagen stapte hij in een boot, samen met zijn leerlingen, en zei tegen hen: ‘Laten we naar de overkant van het meer gaan,’ en ze voeren het meer op.
De storm op het meer
22 En het geschiedde op een van die dagen, dat Hij in een schip ging met zijn discipelen, en Hij zeide tot hen: Laten wij oversteken naar de overkant van het meer; en zij staken van wal.
Jezus stilt den storm
22 En
[8:22] Matt 8:23. Mark 4:35, 36.
het geschiedde in een van die dagen, dat Hij in een schip ging, en Zijn discipelen met Hem; en Hij zeide tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde van het meer. En zij staken af.
Storm op het meer
22 Op een dag stapte Hij met zijn leerlingen in een boot en zei tegen hen: ‘Laten we naar de overkant van het meer gaan.’ Ze staken van wal,
23 Onderweg viel hij in slaap. Er kwam een wervelstorm opzetten, zodat de boot water maakte en dreigde te zinken. 23 En terwijl zij varende waren, viel Hij in slaap. En er sloeg een stormvlaag neder op het meer en zij kregen water in en verkeerden in nood.
23 En als zij voeren, viel Hij in slaap; en er kwam een storm van wind op het meer, en zij werden vol waters, en waren in nood.
23 en tijdens de overtocht viel Hij in slaap. Toen barstte er op het meer een storm los. De boot maakte water en zij raakten in nood.
24 Ze maakten hem wakker en riepen: ‘Meester, meester, we vergaan!’ Hij stond op en sprak de wind en de golven bestraffend toe. Daarop ging de wind liggen en kwam het water tot rust. 24 Toen kwamen zij en maakten Hem wakker en zeiden: Meester, Meester, wij vergaan! En Hij, wakker geworden, bestrafte de wind en de wilde wateren. En zij kwamen tot rust en het werd stil.
24 En zij gingen tot Hem, en wekten Hem op, zeggende: Meester, Meester, wij vergaan! en Hij, opgestaan zijnde, bestrafte den wind en de watergolven, en zij hielden op, en er werd stilte.
24 Ze maakten Hem wakker en riepen: ‘Meester, Meester! Wij vergaan!’ Hij stond op en bestrafte de wind en het woeste water. Ze bedaarden, en het werd stil.
25 Hij vroeg hun: ‘Waar is jullie geloof?’ De leerlingen waren geschrokken en zeiden vol verbazing tegen elkaar: ‘Wie is hij toch, dat zelfs de wind en het water zijn bevelen gehoorzamen?’ 25 En Hij zeide tot hen: Waar was uw geloof? En zij werden bevreesd en zeiden met verbazing tot elkander: Wie is toch deze, dat Hij ook aan de winden en aan het water bevelen geeft en zij Hem gehoorzaam zijn?
25 En Hij zeide tot hen: Waar is uw geloof? Maar zij, bevreesd zijnde, verwonderden zich, zeggende tot elkander: Wie
[8:25] Job 26:12. Ps 107:25.
is toch Deze, dat Hij ook de winden en het water gebiedt, en zij zijn Hem gehoorzaam?
25 Hij zei : ‘Waar is jullie vertrouwen?’ Met schrik en verbazing zeiden ze tegen elkaar: ‘Wie is dat toch, dat zelfs wind en water naar zijn bevelen luisteren?’
26 Ze voeren verder naar het gebied van de Gerasenen, dat tegenover Galilea ligt.
De genezing van een bezetene
26 En zij voeren naar het land der Gerasenen, dat tegenover Galilea ligt.
De bezetene van Gadara
26 En
[8:26] Matt 8:28. Mark 5:1.
zij voeren voort naar het land der Gadarénen, hetwelk is tegenover Galiléa.
Genezing van een bezetene
26 Zij voeren naar het land van de Gerasenen, dat tegenover Galilea ligt.
27 Toen hij aan land stapte, kwam hem vanuit de stad een man tegemoet die door demonen bezeten was. Deze man droeg al geruime tijd geen kleren meer en woonde niet in een huis, maar in de rotsgraven. 27 Toen Hij aan land gegaan was, kwam Hem een man uit de stad tegemoet, die door boze geesten bezeten was, en sinds lang had hij geen mantel meer aan en woonde niet in een huis, maar in de graven.
27 En als Hij aan het land uitgegaan was, ontmoette Hem een zeker man uit de stad, die van over langen tijd met duivelen was bezeten geweest; en was met geen klederen gekleed, en bleef in geen huis, maar in de graven.
27 Toen Hij van boord ging, kwam Hem uit de richting van de stad iemand tegemoet die in de macht was van demonen. Al geruime tijd droeg hij geen kleren en woonde hij niet meer in een huis, maar in rotsgraven.
28 Toen hij Jezus zag, viel hij schreeuwend voor hem neer en riep luidkeels: ‘Wat heb ik met jou te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Ik smeek je, doe me geen pijn!’ 28 Toen hij nu Jezus zag, stiet hij een kreet uit en hij viel aan zijn voeten en sprak met luider stem: Wat hebt Gij met mij te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Ik smeek U, dat Gij mij niet pijnigt.
28 En hij, Jezus ziende, en zeer roepende, viel voor Hem neder, en zeide met een grote stem: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods, des Allerhoogsten, ik bid U, dat Gij mij niet pijnigt!
28 Toen hij Jezus zag, viel hij schreeuwend voor Hem neer en riep luidkeels: ‘Wat wilt U van mij, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Doe me alsjeblieft geen pijn.’
29 Jezus stond namelijk op het punt de onreine geest te bevelen uit de man weg te gaan. Want die had hem al heel lang in zijn macht, en gewoonlijk werd de man voor de veiligheid aan handen en voeten geboeid, maar telkens trok hij de boeien kapot en werd hij door de demon naar eenzame plaatsen gedreven. 29 Want Hij gaf de onreine geest bevel van de man uit te varen. Want menigmaal had de geest hem met geweld medegesleurd, en om hem te bewaken werd hij met ketenen en voetboeien geboeid, maar hij brak de boeien stuk en werd door de geest naar eenzame streken gedreven.
29 Want Hij had den onreinen geest geboden, dat hij van den mens zou uitvaren; want hij had hem menigen tijd bevangen gehad; en hij werd met ketenen en met boeien gebonden, om bewaard te zijn; en hij verbrak de banden, en werd van den duivel gedreven in de woestijnen.
29 Hij had de onreine geest bevolen uit de man weg te gaan. Herhaaldelijk had die bezit van hem genomen; men bond hem dan vast met kettingen en voetboeien, maar steeds weer verbrak hij zijn ketenen en werd hij door de demon naar eenzame streken gejaagd.
30 Jezus vroeg hem: ‘Hoe heet je?’ Hij antwoordde: ‘Legioen’ – er woonden namelijk veel demonen in hem. 30 En Jezus vroeg hem: Wat is uw naam? Hij zeide: Legioen; want vele geesten waren in hem gevaren.
30 En Jezus vraagde hem, zeggende: Welke is uw naam? En hij zeide: Legio. Want vele duivelen waren in hem gevaren.
30 Jezus vroeg hem: ‘Wat is uw naam?’ Hij zei: ‘Legio’; er waren immers vele demonen bij hem ingetrokken.
31 Ze smeekten hem hun niet te bevelen naar de onderwereld te gaan. 31 En zij smeekten Hem, dat Hij hun niet gelasten zou in de afgrond te varen.
31 En zij baden Hem, dat Hij hun niet gebieden zou in den afgrond heen te varen.
31 Zij smeekten Jezus hen niet de afgrond in te sturen.
32 Op de berghelling liep op dat ogenblik een grote kudde varkens te grazen, en de demonen smeekten Jezus om hun toe te staan hun intrek in de varkens te nemen. Hij stond hun dat toe. 32 Nu werd op de berg een talrijke kudde zwijnen gehoed; en zij smeekten Hem, dat Hij hun zou toestaan daarin te varen. En Hij stond het hun toe.
32 En aldaar was een kudde veler zwijnen, weidende op den berg; en zij baden Hem, dat Hij hun wilde toelaten in dezelve te varen. En Hij liet het hun toe.
32 Nu weidde daar in de bergen een grote troep varkens; ze vroegen Hem toestemming om in die varkens te gaan, en Hij stond hun dat toe.
33 Toen ze uit de man waren weggegaan, trokken ze in de varkens, waarop de kudde de steile helling afstormde, het meer in, en verdronk. 33 En de geesten voeren uit die mens en voeren in de zwijnen en de kudde stormde langs de helling het meer in en verdronk.
33 En de duivelen, uitvarende van den mens, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in het meer; en versmoorde.
33 De demonen kwamen uit de man en gingen de varkens in; de troep stoof de helling af, het meer in, en verdronk.
34 Toen de varkenshoeders dat zagen, sloegen ze op de vlucht en vertelden in de stad en in de dorpen wat er was gebeurd. 34 Toen de hoeders zagen wat er gebeurd was, namen zij de vlucht en berichtten het in de stad en op het land.
34 En die ze weidden, ziende hetgeen geschied was, zijn gevlucht; en heengaande boodschapten het in de stad, en op het land.
34 Toen de varkenshoeders zagen wat er gebeurde, gingen ze ervandoor en vertelden het in de stad en op het land.
35 Vele mensen gingen op weg om met eigen ogen te zien wat er was voorgevallen. Toen ze bij Jezus kwamen, troffen ze daar de man aan uit wie de demonen waren weggegaan. Hij zat aan Jezus’ voeten, gekleed en bij zijn volle verstand, en toen ze dat zagen, werden ze door schrik bevangen. 35 En de mensen liepen uit om te zien wat gebeurd was, en zij kwamen bij Jezus en vonden de mens, van wie de boze geesten uitgevaren waren, aan de voeten van Jezus zitten, gekleed en goed bij zijn verstand, en zij werden bevreesd.
35 En zij gingen uit, om te zien hetgeen geschied was, en kwamen tot Jezus, en vonden den mens, van welken de duivelen uitgevaren waren, zittend aan de voeten van Jezus, gekleed en wel bij zijn verstand; en zij werden bevreesd.
35 De mensen gingen kijken wat er gebeurd was. Ze kwamen bij Jezus en vonden daar de man uit wie de demonen waren weggegaan, gekleed en bij zijn volle verstand, gezeten aan Jezus’ voeten. Ze werden met ontzag vervuld.
36 Degenen die alles gezien hadden, vertelden hun hoe de bezetene was gered. 36 En zij, die het gezien hadden, verhaalden hun, hoe de bezetene genezen was.
36 En ook, die het gezien hadden, verhaalden hun, hoe de bezetene was verlost geworden.
36 Ooggetuigen vertelden hun hoe de bezetene gered was.
37 En de hele mensenmenigte uit het gebied van de Gerasenen verzocht hem hen te verlaten, want angst en ontzetting hadden hen aangegrepen. Jezus stapte in de boot om terug te gaan. 37 En de gehele bevolking van de streek der Gerasenen vroeg Hem, of Hij van hen wilde weggaan, want zij waren door grote vrees bevangen. En Hij ging in het schip en keerde terug.
37 En de gehele menigte van het omliggende land der Gadarénen baden Hem, dat
[8:37] Hand 16:39.
Hij van hen wegging; want zij waren met grote vreze bevangen. En Hij, in het schip gegaan zijnde, keerde wederom.
37 De hele bevolking van de streek van de Gerasenen vroeg Jezus toen bij hen weg te gaan, want ze waren hevig geschrokken. Daarop stapte Jezus in de boot om terug te varen.
38 De man bij wie de demonen waren weggegaan, vroeg hem met aandrang bij hem te mogen blijven. Maar hij stuurde hem weg met de woorden: 38 En de man, van wie de boze geesten uitgevaren waren, verzocht Hem bij Hem te mogen blijven. Maar Hij liet hem heengaan en zeide:
38 En
[8:38] Mark 5:18.
de man, van welken de duivelen uitgevaren waren, bad Hem, dat hij mocht bij Hem zijn. Maar Jezus liet hem van Zich gaan, zeggende:
38 De man uit wie de demonen waren weggegaan, vroeg Hem of hij bij Hem mocht blijven, maar Jezus stuurde hem weg.
39 ‘Ga terug naar huis en vertel alles wat God voor u heeft gedaan.’ Hij ging weg en maakte overal in de stad bekend wat Jezus voor hem had gedaan. 39 Keer terug naar uw huis en verhaal al wat God u gedaan heeft. En hij ging de gehele stad door verkondigen al wat Jezus hem gedaan had.
39 Keer weder naar uw huis, en vertel, wat grote dingen u God gedaan heeft. En hij ging heen door de gehele stad, verkondigende, wat grote dingen Jezus hem gedaan had.
39 ‘Ga naar huis terug,’ zei Hij, ‘en vertel wat God voor u heeft gedaan.’ De man ging in heel de stad verkondigen wat Jezus voor hem had gedaan.
Genezing en dodenopwekking
40 Toen Jezus terugkeerde, werd hij door de menigte opgewacht; iedereen stond naar hem uit te kijken.
Het dochtertje van Jaïrus
40 Toen Jezus terugkeerde, wachtte de schare Hem op, want zij zagen allen naar Hem uit.
Het dochtertje van Jaïrus opgewekt. De kranke vrouw
40 En het geschiedde, als Jezus wederkeerde, dat Hem de schare ontving; want zij waren allen Hem verwachtende.
Ziekte en dood overwonnen
40 Toen Jezus terugkeerde, werd Hij door de menigte opgewacht; ze hadden allemaal naar Hem uitgezien.
41 Er was ook een man onder hen die Jaïrus heette, een leider van een synagoge. Hij kwam op Jezus af, viel aan zijn voeten neer en smeekte hem mee te gaan naar zijn huis, 41 En zie, er kwam een man, genaamd Jaïrus, en deze was een overste der synagoge. En hij viel neder aan de voeten van Jezus en smeekte Hem naar zijn huis te komen,
41 En
[8:41] Matt 9:18. Mark 5:22.
ziet, er kwam een man, wiens naam was Jaïrus, en hij was een overste der synagoge; en hij viel aan de voeten van Jezus, en bad Hem, dat Hij in zijn huis wilde komen.
41 Daar kwam een man naar voren, een zekere Jaïrus, hoofd van de synagoge. Hij wierp zich aan zijn voeten en smeekte Hem mee te gaan naar zijn huis,
42 want hij had een dochter van ongeveer twaalf jaar oud, die op sterven lag; ze was zijn enige kind. Toen Jezus op weg ging, begonnen de mensen van alle kanten te duwen. 42 omdat zijn enige dochter, die ongeveer twaalf jaar oud was, op sterven lag. Terwijl Hij erheen ging, drongen de scharen op Hem aan.
42 Want hij had een enige dochter, van omtrent twaalf jaren, en deze lag op haar sterven. En als Hij heenging, zo verdrongen Hem de scharen.
42 omdat zijn enig kind, een dochter van een jaar of twaalf, op sterven lag.
Op weg daar naartoe raakte Jezus bekneld in de mensenmassa.
43 Een vrouw die al twaalf jaar aan bloedverlies leed – en door niemand genezen had kunnen worden, al had ze haar hele kapitaal aan artsen uitgegeven – 43 En een vrouw, die sinds twaalf jaren aan bloedvloeiing leed en door niemand kon genezen worden,
43 En
[8:43] Matt 9:20. Mark 5:25.
een vrouw, die twaalf jaren lang den vloed
[8:43] Lev 15:25.
des bloeds gehad had, welke al haar leeftocht aan medicijnmeesters ten koste gelegd had; en van niemand had kunnen genezen worden,
43 Een vrouw die al twaalf jaar aan vloeiingen leed en haar hele inkomen aan dokters had besteed zonder bij iemand genezing te vinden,
44 naderde hem van achteren en raakte de zoom van zijn bovenkleed aan; meteen hield de bloedvloeiing op. 44 kwam van achteren tot Hem en raakte de kwast van zijn kleed aan, en terstond hield haar vloeiing op.
44 Van achteren tot Hem komende, raakte den zoom Zijns kleeds aan; en terstond stelpte de vloed haars bloeds.
44 kwam van achteren naar Hem toe en raakte de zoom van zijn kleren aan. Onmiddellijk hielden haar vloeiingen op.
45 Jezus vroeg: ‘Wie heeft mij aangeraakt?’ Iedereen ontkende de aanraking en Petrus zei: ‘Meester, de mensen om u heen staan te duwen en te dringen!’ 45 En Jezus zeide: Wie is het, die Mij heeft aangeraakt? En terwijl allen het ontkenden, zeide Petrus: Meester, de scharen drukken en verdringen U.
45 En Jezus zeide: Wie is het, die Mij heeft aangeraakt? En als zij het allen miszaakten, zeide Petrus en die met hem waren: Meester, de scharen drukken en verdringen U, en zegt Gij: Wie is het, die Mij aangeraakt heeft?
45 Jezus vroeg: ‘Wie heeft Me aangeraakt?’ Iedereen ontkende het en Petrus zei: ‘Meester, al die mensen staan te duwen en te dringen om U heen.’
46 Maar Jezus zei: ‘Iemand heeft me aangeraakt, want ik heb kracht uit me voelen wegstromen.’ 46 Maar Jezus zeide: Iemand heeft Mij aangeraakt, want Ik heb kracht van Mij voelen uitgaan.
46 En Jezus zeide: Iemand heeft Mij aangeraakt; want Ik heb bekend, dat kracht van Mij uitgegaan is.
46 Maar Jezus zei: ‘Iemand heeft Me aangeraakt, want Ik heb kracht van Mij voelen uitstromen.’
47 Toen het de vrouw duidelijk werd dat haar aanraking niet onopgemerkt was gebleven, kwam ze trillend naar voren, viel voor hem neer en legde ten overstaan van de hele menigte uit waarom ze hem had aangeraakt en hoe ze meteen was genezen. 47 Toen de vrouw zag, dat zij niet onopgemerkt bleef, kwam zij bevende nader, viel voor Hem neer en verhaalde Hem, voor al het volk, om welke reden zij Hem aangeraakt had en dat zij terstond beter was geworden.
47 De vrouw nu, ziende, dat zij niet verborgen was, kwam bevende, en voor Hem nedervallende, verklaarde Hem voor al het volk, om wat oorzaak zij Hem aangeraakt had, en hoe zij terstond genezen was.
47 Omdat de vrouw besefte dat het niet verborgen kon blijven, kwam ze bevend naar Jezus toe, wierp zich neer voor zijn voeten, en vertelde waar het hele volk bij stond waarom ze Hem had aangeraakt en hoe ze onmiddellijk genezen was.
48 Hij zei tegen haar: ‘Uw geloof heeft u gered; ga in vrede.’ 48 En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede.
48 En Hij zeide tot haar: Dochter, wees welgemoed, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede.
48 Jezus zei tot haar: ‘Mijn dochter, uw vertrouwen is uw redding; ga in vrede.’
49 Nog voor hij uitgesproken was, kwam er iemand uit het huis van Jaïrus tegen de leider van de synagoge zeggen: ‘Uw dochter is gestorven. Val de meester niet langer lastig.’
49 Terwijl Hij nog sprak, kwam er iemand van de overste der synagoge met de boodschap: Uw dochter is gestorven, val de Meester niet meer lastig!
49 Als
[8:49] Mark 5:35.
Hij nog sprak, kwam er een van het huis des oversten der synagoge, zeggende tot hem: Uw dochter is gestorven; zijt den Meester niet moeielijk.
49 Hij was nog niet uitgesproken of de voorzitter van de synagoge kreeg van thuis het bericht: ‘Uw dochter is gestorven; val de meester niet langer lastig.’
50 Maar Jezus hoorde het en zei: ‘Wees niet bang, maar geloof, dan zal ze worden gered.’ 50 Maar Jezus hoorde het en antwoordde hem: Wees niet bevreesd, geloof alleen, en zij zal behouden worden.
50 Maar Jezus, dat horende, antwoordde hem, zeggende: Vrees niet, geloof alleenlijk, en zij zal behouden worden.
50 Jezus hoorde dat en zei tegen Hem: ‘Wees niet bang; heb maar vertrouwen, dan zal ze gered worden.’
51 Toen hij bij het huis kwam, stond hij niemand toe om met hem naar binnen te gaan behalve Petrus, Johannes en Jakobus, en de vader en moeder van het meisje. 51 Toen Hij aan het huis gekomen was, stond Hij niemand toe met Hem naar binnen te gaan dan Petrus, Johannes en Jakobus en de vader van het kind en de moeder.
51 En als Hij in het huis kwam, liet Hij niemand inkomen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, en den vader en de moeder des kinds.
51 Bij het huis gekomen liet Hij alleen Petrus, Johannes en Jakobus mee naar binnen gaan, en de vader en de moeder van het meisje.
52 Alle aanwezigen waren aan het weeklagen en sloegen zich van verdriet op de borst. Hij zei: ‘Houd op met klagen, want ze is niet gestorven maar slaapt.’ 52 Allen nu weenden en weeklaagden over haar. Doch Hij sprak: Weent niet; zij is niet gestorven, maar zij slaapt.
52 En zij schreiden allen, en maakten misbaar over hetzelve. En Hij zeide: Schreit niet; zij is niet gestorven; maar
[8:52] Joh 11:11.
zij slaapt.
52 Iedereen was in tranen en rouwde om haar, maar Jezus zei: ‘Huil niet; ze is niet gestorven, ze slaapt.’
53 Ze lachten hem uit, omdat ze wisten dat ze gestorven was. 53 En zij lachten Hem uit, omdat zij wisten, dat zij gestorven was.
53 En zij belachten Hem, wetende, dat zij gestorven was.
53 Ze lachten Hem uit, omdat ze ervan overtuigd waren dat ze gestorven was.
54 Hij nam haar hand vast en zei met luide stem: ‘Meisje, sta op!’ 54 Maar Hij vatte haar hand en riep, zeggende: Kind, sta op!
54 Maar als Hij ze allen uitgedreven had, greep Hij haar hand en riep, zeggende: Kind, sta op!
54 Hij pakte haar echter bij de hand en riep: ‘Meisje, sta op.’
55 Haar levensadem keerde terug en ze stond meteen op. Hij gaf opdracht haar iets te eten te geven. 55 En haar geest keerde terug en zij stond dadelijk op en Hij beval, dat men haar te eten zou geven.
55 En haar geest keerde weder, en zij is terstond opgestaan; en Hij gebood, dat men haar te eten geven zou.
55 Het leven keerde in haar terug, ze stond onmiddellijk op, en Jezus liet haar te eten geven.
56 Haar ouders waren verbijsterd; hij gebood hun tegen niemand te zeggen wat er was gebeurd. 56 En haar ouders stonden versteld, maar Hij verbood hun tot iemand te spreken over hetgeen geschied was.
56 En haar ouders ontzetten zich; en Hij beval hun, dat zij niemand zouden zeggen hetgeen geschied was.
56 Haar ouders stonden versteld, maar Hij verbood hun met iemand te praten over wat er was gebeurd.

De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

NBG-vertaling 1951
© 1951 Nederlands Bijbelgenootschap

Statenvertaling (Jongbloed-editie)

Willibrordvertaling (herziene editie 1995)
© 1995 Katholieke Bijbelstichting

Kijkt u ook eens naar:
Voor informatie over hoe het NBG omgaat met de privacy van websitebezoekers: klik hier.
Vragen? Stuur een e-mail naar
info@bijbelgenootschap.nl
visitor stats