34
1 Van David, toen hij zich aan het hof van Abimelech als een krankzinnige voordeed en pas wegging toen deze hem verjoeg. (34:1-23) Psalm 34 is een acrostichon: de verzen beginnen steeds met een volgende letter van het Hebreeuwse alfabet. Er zijn kleine onregelmatigheden. De letter waw ontbreekt, en het afsluitende vers 23 valt buiten de alfabetische reeks.
|
34 De HERE beschermt de zijnen
1 Van David, toen hij zich bij Abimelek als een waanzinnige gedroeg, zodat deze hem wegjoeg, en hij heenging.
|
God beschermt de gelovigen
34
1 Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimélech, die hem wegjoeg, dat hij doorging.
|
34 Ik riep, en de HEER gaf gehoor
1 Op naam van David. Hij veinsde krankzinnigheid
tegenover Abimelek. Die joeg hem weg en David vertrok.
|
|
2 De HEER wil ik prijzen, elk uur van de dag,
mijn mond is altijd vol van zijn lof.
|
2 Ik wil de HERE te allen tijde prijzen,
bestendig zij zijn lof in mijn mond.
|
2 Aleph. Ik zal den HEERE loven te aller tijd; Zijn lof zal geduriglijk in mijn mond zijn.
|
2 [alef] De HEER wil ik altijd prijzen,
ik zing steeds een loflied op Hem.
|
|
3 Laat mijn leven een loflied zijn voor de HEER,
de nederigen zullen het met vreugde horen.
|
3 In de HERE beroeme zich mijn ziel;
laten de ootmoedigen het horen en zich verheugen.
|
3 Beth. Mijn ziel zal zich beroemen in den HEERE; de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn.
|
3 [bet] Ik juich om de HEER,
laat de armen er verheugd naar luisteren.
|
|
4 Roem met mij de grootheid van de HEER,
sluit u aan om zijn naam te verheffen.
|
4 Maakt met mij de HERE groot,
en laat ons tezamen zijn naam verheffen.
|
4 Gimel. Maakt den HEERE met mij groot, en laat ons Zijn Naam samen verhogen.
|
4 [gimel] Prijs de HEER tezamen met mij,
laat ons zijn naam verheerlijken.
|
|
5 Ik zocht de HEER en hij gaf antwoord,
hij heeft mij van alle angst bevrijd.
|
5 Ik zocht de HERE en Hij antwoordde mij,
Hij redde mij uit al mijn verschrikkingen.
|
5 Daleth. Ik heb den HEERE gezocht, en Hij heeft mij geantwoord, en mij uit al mijn vrezen gered.
|
5 [dalet] Toen ik de HEER zocht, gaf Hij antwoord,
van al mijn angsten heeft Hij mij verlost.
|
|
6 Wie naar hem opzien, stralen van vreugde,
schaamte zal hun gezicht niet kleuren.
|
6 Zij schouwen naar Hem en stralen van vreugde,
en hun aangezicht zal niet schaamrood worden.
|
6 He. Vau. Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden.
|
6 [he] Wie naar Hem opzien stralen van geluk,
geen blos van schaamte kleurt hun gelaat.
|
|
7 In mijn verdrukking riep ik tot de HEER,
hij heeft geluisterd en mij uit de nood gered.
|
7 Deze ellendige hier riep en de HERE hoorde,
Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden.
|
7 Zain. Deze ellendige riep, en de HEERE hoorde; en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden.
|
7 [zajin] Deze arme mens riep, en de HEER gaf gehoor,
Hij heeft mij bevrijd uit al mijn noden.
|
|
8 De engel van de HEER waakt
over wie hem vrezen, en bevrijdt hen.
|
8 De Engel des HEREN legert Zich
rondom wie Hem vrezen, en redt hen.
|
8 Cheth. De Engel des HEEREN legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit.
|
8 [chet] De engel van de HEER zet wachtposten uit
rond degenen die hem vrezen: zo brengt Hij redding.
|
|
9 Proef, en geniet de goedheid van de HEER,
gelukkig de mens die bij hem schuilt.
|
9 Smaakt en ziet, dat de HERE goed is;
welzalig de man die bij Hem schuilt.
|
9 Teth. Smaakt en ziet, dat de HEERE goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt.
|
9 [tet] Proef en geniet: hoe zoet is de HEER;
gelukkig is de mens die bij Hem gaat schuilen.
|
|
10 Vromen, heb ontzag voor de HEER:
wie hem vreest lijdt geen gebrek.
|
10 Vreest de HERE, gij, zijn heiligen,
want wie Hem vrezen, hebben geen gebrek.
|
10 Jod. Vreest den HEERE, gij Zijn heiligen! want die Hem vrezen, hebben geen gebrek.
|
10 [jod] Jullie, zijn heiligen, heb ontzag voor de HEER,
want degenen die Hem vrezen, komen niets tekort.
|
|
11 Jonge leeuwen lopen hongerig rond,
wie de HEER zoekt, ontbreekt het aan niets.
|
11 Jonge leeuwen lijden ontbering en honger,
maar wie de HERE zoeken,
hebben geen gebrek aan enig goed.
|
11 Caph. De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.
|
11 [kaf] Overmoedige welpen lijden gebrek en honger,
maar wie de HEER zoeken ontbreekt het aan niets.
|
|
12 Kom, kinderen, luister naar mij,
ik leer je ontzag voor de HEER.
|
12 Komt, kinderen, luistert naar mij,
ik zal u de vreze des HEREN leren.
|
12 Lamed. Komt, gij, kinderen! hoort naar mij! ik zal u des HEEREN vreze leren.
|
12 [lamed] Kom, kinderen, luister naar mij:
in ontzag voor de HEER zal ik jullie onderwijzen.
|
|
13 Hebben jullie het leven lief,
wil je goede jaren genieten?
|
13 Wie is de man die het leven begeert,
vele dagen wenst om het goede te genieten?
|
13 Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?
|
13 [mem] Is er iemand die het leven bemint
en gelukkige dagen wil genieten?
|
|
14 Behoed dan je tong voor het kwaad,
je lippen voor woorden van bedrog.
|
14 Bewaar uw tong voor het kwade
en uw lippen voor het spreken van bedrog;
|
14 Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.
|
14 [nun] Houd je tong dan weg van het kwaad,
houd je lippen weg van de leugen.
|
|
15 Mijd het kwade, doe wat goed is,
streef naar vrede, jaag die na.
|
15 wijk van het kwade en doe het goede,
zoek de vrede en jaag die na.
|
15 Samech. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek den vrede, en jaag dien na.
|
15 [samech] Keer je af van het kwaad en doe het goede,
zoek vrede, jaag die na.
|
|
16 Het oog van de HEER rust op de rechtvaardigen,
zijn oor luistert naar hun hulpgeroep.
|
16 De ogen des HEREN zijn op de rechtvaardigen,
en zijn oren tot hun hulpgeroep;
|
16 Ain. De ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep.
|
16 [ajin] Het oog van de HEER is gericht op de rechtvaardige,
het oor van de HEER naar hun hulpgeroep.
|
|
17 Toornig ziet de HEER wie kwaad doen aan,
hij wist hun namen op aarde uit.
|
17 het aangezicht des HEREN is tegen hen die kwaad doen,
om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien.
|
17 Pe. Het aangezicht des HEEREN is tegen degenen, die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien.
|
17 [pe] Maar het gelaat van de HEER keert zich tegen de bozen,
Hij vaagt hun gedachtenis weg van de aarde.
|
|
18 De HEER hoort de kreten van de rechtvaardigen,
hij bevrijdt hen uit de nood,
|
18 Roepen zij, dan hoort de HERE,
en Hij redt hen uit al hun benauwdheden.
|
18 Tsade. Zij roepen, en de HEERE hoort, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden.
|
18 [tsade] Als mensen roepen, geeft de HEER gehoor,
Hij verlost hen uit al hun noden.
|
|
19 gebroken mensen is de HEER nabij,
hij redt wie zwaar wordt getroffen.
|
19 De HERE is nabij de gebrokenen van hart
en Hij verlost de verslagenen van geest.
|
19 Koph. De HEERE is nabij de gebrokenen van harte, en Hij behoudt de verslagenen van geest.
|
19 [qof] Als je hart gebroken is, is de HEER nabij,
Hij bevrijdt wie zich vernederd voelt.
|
|
20 Al blijft de rechtvaardige niets bespaard,
de HEER zal hem steeds weer bevrijden.
|
20 Talrijk zijn de rampen van de rechtvaardige,
maar uit die alle redt hem de HERE;
|
20 Resch. Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem de HEERE.
|
20 [resj] Hoe groot de rampspoed van de rechtvaardige ook is,
de HEER verlost hem telkens opnieuw.
|
|
21 Hij waakt zelfs over zijn beenderen,
niet één ervan wordt verbrijzeld.
|
21 Hij behoedt al zijn beenderen,
niet één daarvan wordt gebroken.
|
21 Schin. Hij bewaart al zijn beenderen; niet één van die wordt gebroken.
|
21 [sjin] Hij waakt over heel zijn beendergestel;
geen enkel lid zal breken.
|
|
22 Een slecht mens komt om door eigen kwaad,
wie een rechtvaardige haat zal boeten,
|
22 Het onheil doodt de goddeloze,
en wie de rechtvaardige haten, zullen ervoor boeten.
|
22 Thau. De boosheid zal den goddeloze doden; en die den rechtvaardige haten, zullen schuldig verklaard worden.
|
22 [taw] De boosheid zelf brengt de boosdoener de dood;
wie de rechtvaardige afwijst betaalt met spijt.
|
|
23 de HEER redt het leven van zijn dienaren,
nooit zal boeten wie schuilt bij hem.
|
23 De HERE verlost de ziel van zijn knechten,
allen die bij Hem schuilen, zullen niet boeten.
|
23 De HEERE verlost de ziel Zijner knechten; en allen, die op Hem betrouwen, zullen niet schuldig verklaard worden.
|
23 Maar de HEER houdt zijn dienaren in leven;
wie bij Hem schuilt kent geen spijt.
|
De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap
|
NBG-vertaling 1951
© 1951 Nederlands Bijbelgenootschap |
Statenvertaling (Jongbloed-editie)
|
Willibrordvertaling (herziene editie 1995)
© 1995 Katholieke Bijbelstichting |