|
14 Wij weten dat de wet het werk van de Geest is, maar door mijn natuur ben ik uitgeleverd aan de zonde.
|
14 Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde.
|
|
15 Wat ik doe, doorzie ik niet, want ik doe niet wat ik wil, ik doe juist wat ik haat.
|
15 Want wat ik uitwerk, weet ik niet; want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik.
|
|
16 Maar wanneer mijn daden in strijd zijn met mijn wil, dan erken ik dat de wet goed is.
|
16 Indien ik nu wat ik niet wens, toch doe, stem ik toe, dat de wet goed is.
|
|
17 Dan ben ik het niet die handelt, maar de zonde die in mij heerst.
|
17 Doch dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont.
|
|
18 Immers, ik besef dat in mij, in mijn eigen natuur, het goede niet aanwezig is. Ik wíl het goede wel, maar het goede doen kan ik niet.
|
18 Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet.
|
|
19 Wat ik verlang te doen, het goede, laat ik na; wat ik wil vermijden, het kwade, dat doe ik.
|
19 Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dát doe ik.
|
|
20 Maar wanneer mijn daden in strijd zijn met mijn wil, ben ik daar niet zelf de oorzaak van, maar de zonde die in mij heerst.
|
20 Indien ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ík het niet meer, maar de zonde, die in mij woont.
|
|
21 Ik ontdek in mij de wetmatigheid dat het kwade zich aan mij opdringt, ook al wil ik het goede doen.
|
21 Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig;
|
|
22 Innerlijk stem ik vol vreugde in met de wet van God,
|
22 want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods,
|
|
23 maar in alles wat ik doe zie ik die andere wet. Hij voert strijd tegen de wet waarmee ik met mijn verstand instem en maakt van mij een gevangene van de wet van de zonde, die in mij leeft.
|
23 maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is.
|
|
24 Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood?
|
24 Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?
|
|
25 Dat doet God! Dank aan hem door Jezus Christus, onze Heer. Met mijn verstand onderwerp ik mij aan de wet van God, maar door mijn natuur onderwerp ik mij aan de wet van de zonde.
|
25 Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here!
|
De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap
|
NBG-vertaling 1951
© 1951 Nederlands Bijbelgenootschap |