Tobit Tobit – Van het boek Tobit bestaan twee tekstversies, een korte en een lange. De korte tekst is compacter en stilistisch verzorgder dan de lange versie. Hier wordt echter de lange tekst gevolgd, omdat die nu als de meer oorspronkelijke wordt beschouwd. In de lange tekst ontbreken echter twee belangrijke passages ( 4:7-18 en 13:6-10); de vertaling volgt in deze gevallen de korte tekstversie.
1
1 Dit is de geschiedenis van Tobit. Hij was een zoon van Tobiël, die een zoon was van Ananiël, de zoon van Aduel, de zoon van Gabaël, de zoon van Rafaël, de zoon van Raguel, en afkomstig uit het geslacht van Asiël, uit de stam Naftali.
2 Tobit werd tijdens de regering van Salmanassar, de koning van Assyrië, vanuit Tisbe in ballingschap gevoerd. Tisbe ligt ten zuiden van Kedes in Naftali, in Boven-Galilea, ten noordwesten van Hasor en ten noorden van Fogor.
Tobits vroomheid
3 Ik, Tobit, ben mijn leven lang rechtvaardig en oprecht geweest. Ik heb altijd de nood gelenigd van mijn verwanten en volksgenoten die samen met mij in ballingschap waren gevoerd naar Nineve in Assyrië.
4 In mijn jeugd, toen ik nog in mijn eigen land Israël woonde, brak de stam van mijn voorvader Naftali met het huis van David en met Jeruzalem, de stad die uit het hele gebied van de stammen van Israël gekozen was als de plaats waar elke stam moest offeren. Daar was de tempel gebouwd en gewijd tot de plaats waar God tot in eeuwigheid zou wonen.
5 Maar al mijn verwanten en de hele stam Naftali brachten op alle offerhoogten van Galilea offers aan het stierkalf dat koning Jerobeam van Israël in de stad Dan had laten neerzetten.
6 Ik was de enige die de feestdagen zo veel mogelijk in Jeruzalem doorbracht, zoals dat door een eeuwig gebod aan heel Israël is voorgeschreven. Ik ging er altijd tijdig naartoe met het eerste deel van de oogst, de eerstgeboren dieren van de kudde en het tiende deel daarvan, en met de eerste schapenwol.
7 Dat alles gaf ik als offer aan de priesters, de nakomelingen van Aäron. Verder gaf ik de Levieten die dienstdeden in Jeruzalem een tiende deel van het graan, de wijn, de olijfolie, de granaatappels, de vijgen en allerlei andere vruchten. Ook maakte ik elk jaar, behalve in een sabbatsjaar, het tweede tiende deel te gelde en besteedde het geld in Jeruzalem.
8 Het derde tiende deel (1:8) Het derde tiende deel – Aangevuld vanuit de korte tekst. gaf ik aan weduwen en wezen, en aan vreemdelingen die in Israël waren komen wonen. Dat deed ik elk derde jaar. We gebruikten dit deel voor een maaltijd, zoals de regel in de wet van Mozes voorschrijft en zoals me was geleerd door Debora, de moeder van mijn vader. (1:8) Debora, de moeder van mijn vader – Volgens de korte tekst. De lange tekst leest: ‘Debora, de moeder van Ananiël, mijn vader’. Ananiël is echter Tobits grootvader, niet zijn vader ( 1:1). Mijn vader had me toen hij stierf als wees achtergelaten.
9 Toen ik volwassen was, trouwde ik met een vrouw uit mijn eigen familie. Ik kreeg bij haar een zoon, die ik Tobias noemde.
10 Nadat ik door de Assyriërs gevangen was genomen, werd ik als balling naar Nineve gevoerd. Al mijn verwanten en volksgenoten aten onrein voedsel,
11 maar ik hoedde me daarvoor.
12 Met heel mijn hart bleef ik God trouw.
13 Daarom zorgde de Allerhoogste ervoor dat koning Salmanassar mij opmerkte en dat ik bij hem in de gunst kwam. Salmanassar belastte mij met de inkoop van de hofvoorraden.
14 Zolang hij leefde moest ik daarvoor geregeld naar Medië. Op een van die reizen gaf ik aan Gabaël, de broer van Gabri, een bedrag van tien talent zilver in bewaring.
15 Toen Salmanassar stierf, volgde zijn zoon Sanherib hem op. De wegen naar Medië werden afgesloten, zodat ik er niet langer naartoe kon.
16 In de jaren van Salmanassars koningschap was ik mijn volksgenoten vaak tot steun;
17 ik deelde mijn voedsel met wie honger leed, mijn kleding met wie geen kleren had, en als ik zag dat het lichaam van een gestorven Israëliet buiten de muren van Nineve was gegooid, begroef ik het.
18 Ik begroef ook de slachtoffers die Sanherib na zijn terugtocht uit Judea had gemaakt. Als straf voor zijn godslasterlijk gedrag had de koning van de hemel hem namelijk uit Judea verjaagd, en in zijn woede daarover doodde Sanherib na zijn terugtocht talloze Israëlieten. Ik haalde hun lichamen heimelijk weg en begroef ze. Sanherib liet naar de lichamen zoeken, echter zonder resultaat.
19 Maar iemand uit Nineve vertelde de koning dat ik het was die ze begraven had. Eerst hield ik me schuil, maar toen ik te weten kwam dat de koning naar me op zoek was omdat hij me ter dood wilde laten brengen, werd ik zo bang dat ik op de vlucht sloeg.
20 Al mijn bezittingen werden in beslag genomen en vervielen aan het rijk, alles wat ik had. Het enige wat me nog restte waren mijn vrouw Anna en mijn zoon Tobias.
21 Maar nog geen veertig dagen later werd Sanherib door twee van zijn zonen vermoord, die daarop naar het Araratgebergte vluchtten. Sanheribs zoon Esarhaddon werd nu koning. Hij stelde Achikar, de zoon van mijn broer Anaël, aan als beheerder van alle financiële zaken van het koninkrijk, waardoor Achikar zeggenschap kreeg over de hele rijksadministratie.
22 Hij was onder koning Sanherib al hofschenker, administrateur, zegelbewaarder en schatbewaarder, maar Esarhaddon maakte hem zelfs tot de tweede man van Assyrië. En hij was ook familie van mij, een neef. Dus toen hij bij Esarhaddon voor mij pleitte, kon ik naar Nineve terugkeren.
|