Het Nederlandstalige deel van Biblija.net wordt beheerd door het Nederlands Bijbelgenootschap

» STEUN ONS «
Woord(en):
Bijvoorbeeld:
  • evangelie
  • "groot en machtig"
  • koning*
  • gezalfde messias
Zoeken in bijbelversie:

Zoeken in: - .
3389 vindplaatsen in 2763 verzen

1753.Jeremia 1,2
 
De HEER richtte zich tot hem in het dertiende jaar dat koning Josia, de zoon van Amon, over Juda regeerde.
1754.Jeremia 1,3
 
Ook sprak hij tot hem tijdens de regering van koning Jojakim, de zoon van Josia, en in de jaren daarna, tot het einde van het elfde regeringsjaar van Sedekia, de zoon van Josia. In de vijfde maand van dat jaar werd Jeruzalem in ballingschap gevoerd.
1755.Jeremia 1,18
 
Ik maak je nu tot een vestingstad en een ijzeren zuil, tot een bronzen muur om stand te houden tegen het hele land: de koningen en leiders van Juda, de priesters en het volk.
1756.Jeremia 2,26
 
Zoals een betrapte dief te schande staat, zo staat het volk van Israël te schande, de koningen en leiders, de priesters en profeten.
1757.Jeremia 3,6
 
Tijdens de regering van koning Josia zei de HEER tegen mij: ‘Heb je gezien hoe ontrouw Israël mij geworden is? Ze pleegde overspel op elke hoge berg en onder elke bladerrijke boom.
1758.Jeremia 4,9
 
Op die dag – spreekt de HEER – ontzinkt de koning en de leiders alle moed. De priesters zijn ontzet, de profeten verbijsterd.’
1759.Jeremia 7,18
 
De kinderen sprokkelen hout, de vaders stoken het vuur en de vrouwen kneden deeg om koeken voor de koningin van de hemel te bakken. Ook krenken ze mij door wijnoffers aan andere goden te brengen.
1760.Jeremia 8,1
 
In die tijd – spreekt de HEER – zal men de beenderen van de koningen van Juda, van de raadsheren, de priesters, de profeten en de inwoners van Jeruzalem uit hun graven halen
1761.Jeremia 8,19
 
Uit een ver land schreeuwt mijn volk om hulp: “Is de HEER niet op de Sion, oefent hij daar zijn koningschap niet uit?”’ ‘Waarom hebben ze mij met andere goden getergd, met nietige afgodsbeelden?’
1762.Jeremia 10,7
 
Wie zou geen ontzag voor u hebben? Koning van de volken, dat komt u immers toe. Onder alle wijzen van de volken, onder al hun koningen is niemand als u.
1763.Jeremia 10,10
 
Maar alleen de HEER is werkelijk God, hij is de levende God, de eeuwige koning. Door zijn woede beeft de aarde, tegen zijn toorn houden volken geen stand.’
1764.Jeremia 13,18
 
Zeg tegen de koning en de koningin-moeder: Kom van je verheven zetel af, want jullie kostbare kroon, dat teken van vorstelijke waardigheid, zal vallen.
1765.Jeremia 15,4
 
Om wat koning Manasse van Juda, de zoon van Hizkia, in Jeruzalem heeft gedaan, maak ik hen tot een afschrikwekkend voorbeeld voor alle koninkrijken op aarde.
1766.Jeremia 17,19
 
Dit zei de HEER tegen mij: ‘Ga in de Volkspoort staan, die de koningen van Juda plegen te gebruiken, en in de andere poorten van Jeruzalem.
1767.Jeremia 17,20
 
Verkondig daar: Koningen van Juda, inwoners van Juda en Jeruzalem, jullie die door deze poorten naar binnen gaan, luister naar de woorden van de HEER.
1768.Jeremia 19,3
 
Luister naar de woorden van de HEER, koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem. Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik zal zulk onheil over deze stad brengen dat de oren van wie ervan hoort zullen tuiten.
1769.Jeremia 19,4
 
Want ze hebben mij verlaten, ze hebben deze plaats geschonden en er wierook gebrand ter ere van andere goden, die zij, hun voorouders en de koningen van Juda nooit hebben gekend. Ze hebben deze plaats doen druipen van onschuldig bloed
1770.Jeremia 19,12
 
En met de stad en haar inwoners zal ik hetzelfde doen – spreekt de HEER. De huizen van Jeruzalem en de paleizen van de koningen van Juda, ja alle huizen waar men op de daken wierook heeft gebrand voor het sterrenleger aan de hemel en wijnoffers heeft gebracht aan andere goden, worden zo onrein als Tofet.’
1771.Jeremia 20,4
 
Want dit zegt de HEER: Ik maak jou voor jezelf en je vrienden tot een bron van paniek; zij zullen door hun vijanden worden omgebracht en jij zult het moeten aanzien. Ik lever alle Judeeërs uit aan de koning van Babylonië; hij zal hen naar Babel wegvoeren of hen ombrengen.
1772.Jeremia 20,5
 
De voorraden van deze stad, de bezittingen en kostbaarheden, en de schatten van de koningen van Juda geef ik hun vijanden in handen. Ze zullen alles buitmaken en meevoeren naar Babel.

Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Resultaten: [Naar het begin] [<< Terug] Genesis(28) Exodus(15) Numeri(15) Deuteronomium(24) Jozua(55) Rechters(39) 1 Samuel(91) 2 Samuel(199) 1 Koningen(254) 2 Koningen(302) 1 Kronieken(81) 2 Kronieken(240) Ezra(55) Nehemia(25) Ester(115) Job(8) Psalmen(76) Spreuken(35) Prediker(15) Hooglied(8) Jesaja(72) Jeremia(197) Klaagliederen(3) Ezechiël(39) Daniël(136) Hosea(17) Amos(9) Obadja(1) Jona(2) Micha(6) Nahum(1) Habakuk(1) Sefanja(2) Haggai(3) Zacharia(8) Maleachi(1) Matteüs(21) Marcus(11) Lucas(16) Johannes(14) Handelingen(20) 1 Korintiërs(3) 2 Korintiërs(1) 1 Timoteüs(3) Hebreeën(5) Openbaring(23) Tobit(19) Judit(22) Ester_(Grieks)(118) 1 Makkabeeën(155) 2 Makkabeeën(86) Wijsheid(8) Sirach(19) Baruch(11) Brief_van_Jeremia(8) Toevoegingen_Daniël(22) [Verder >>]

BIBLIJA.net is een site van het Bijbelgenootschap van Slovenië

Programma: © 2001-2006 , OFMCap

Andere taalversies
van Biblija.net:

 
visitor stats