Het Nederlandstalige deel van Biblija.net wordt beheerd door het Nederlands Bijbelgenootschap

» STEUN ONS «
Woord(en):
Bijvoorbeeld:
  • evangelie
  • "groot en machtig"
  • koning*
  • gezalfde messias
Zoeken in bijbelversie:

Zoeken in: - .
2111 vindplaatsen in 1566 verzen

386.1 Samuel 1,1
 
In Rama in de streek Suf, in het bergland van Efraïm, woonde een man die Elkana heette. Hij was een zoon van Jerocham, die een zoon was van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Suf, en behoorde tot de stam Efraïm.
387.1 Samuel 1,11
 
legde ze een gelofte af: ‘HEER van de hemelse machten, ik smeek u, heb toch oog voor mijn ellende. Denk aan mij, uw dienares, vergeet mij niet. Schenk mij een zoon, dan schenk ik hem voor zijn hele leven aan u: nooit zal zijn haar worden afgeschoren.’
388.1 Samuel 1,20
 
Hanna werd zwanger en na verloop van tijd baarde ze een zoon. Ze noemde hem Samuel, ‘want,’ verklaarde ze, ‘ik heb hem aan de HEER gevraagd.’
389.1 Samuel 1,23
 
Haar man Elkana antwoordde: ‘Doe maar wat jij het beste vindt. Blijf thuis zolang je hem nog zelf voedt. Laten we hopen dat de HEER dan niet van zijn belofte terugkomt.’ Hanna bleef dus thuis en voedde haar zoon totdat ze hem de borst ontwend had.
390.1 Samuel 1,27
 
Om deze zoon heb ik gebeden, en de HEER heeft mij gegeven waar ik om heb gevraagd.
391.1 Samuel 2,30
 
Welnu – spreekt de HEER, de God van Israël –, ooit heb ik plechtig verklaard dat jouw familie mij van vader op zoon terzijde zou staan. Maar nu – spreekt de HEER – kom ik daarvan terug. Wie mij hoogachten acht ik hoog, maar verachtelijk zijn zij die mij geringschatten!
392.1 Samuel 4,20
 
Terwijl ze stervende was, zeiden de vrouwen die haar bijstonden: ‘Wees gerust, je hebt een zoon gekregen.’ Maar ze reageerde niet en schonk hun geen aandacht.
393.1 Samuel 4,21
 
Ze noemde haar zoon Ichabod en verklaarde: ‘Israël is van zijn eer beroofd.’ Daarmee doelde ze op het verlies van de ark en op de dood van haar schoonvader en haar man.
394.1 Samuel 7,1
 
Er kwamen mensen uit Kirjat-Jearim om de ark op te halen. Ze brachten hem naar het huis van Abinadab, op de heuvel, en wijdden zijn zoon Elazar om zorg te dragen voor de ark van de HEER.
395.1 Samuel 9,1
 
In Benjamin woonde een man die Kis heette. Hij was een zoon van Abiël, die een zoon was van Seror, de zoon van Bechorat, de zoon van Afiach. Hij behoorde tot de stam Benjamin en was een vermogend man.
396.1 Samuel 9,2
 
Hij had een zoon die Saul heette, een lange, goedgebouwde jongeman die met kop en schouders boven iedereen in Israël uitstak.
397.1 Samuel 9,3
 
Op een keer, toen zijn ezelinnen waren zoekgeraakt, zei Kis tegen zijn zoon: ‘Vooruit, ga jij met een van de knechten de ezelinnen zoeken.’
398.1 Samuel 10,11
 
Allen die hem van vroeger kenden en zagen dat hij zich in vervoering bij de profeten had aangesloten, zeiden tegen elkaar: ‘Wat is er met de zoon van Kis gebeurd? Hoort Saul nu ook al bij de profeten?’
399.1 Samuel 10,21
 
Vervolgens liet hij de families van de stam Benjamin aantreden en het lot viel op de familie van Matri. Uiteindelijk viel het lot op Saul, de zoon van Kis. Ze gingen naar hem op zoek, maar ze konden hem niet vinden.
400.1 Samuel 13,16
 
Saul en zijn zoon Jonatan waren met hun troepen gelegerd bij Gibea in Benjamin; de Filistijnen hadden hun kamp opgeslagen bij Michmas.
401.1 Samuel 13,22
 
Bij het uitbreken van de oorlog beschikte dus geen van de soldaten van Saul en Jonatan over een zwaard of een speer, alleen Saul zelf en zijn zoon Jonatan.
402.1 Samuel 14,1
 
Op zekere dag zei Jonatan, de zoon van Saul, tegen zijn wapendrager: ‘Laten we oversteken naar de Filistijnse wachtpost daar aan de overkant.’ Maar hij vertelde niet aan zijn vader wat hij van plan was.
403.1 Samuel 14,3
 
De functie van priester werd bekleed door Achia, de zoon van Achitub. Achitub was een broer van Ichabod, die de zoon was van Pinechas, de zoon van Eli, de priester van de HEER in Silo. Niemand wist dat Jonatan weg was.
404.1 Samuel 14,39
 
Zo waar de HEER leeft, de redder van Israël, al is mijn eigen zoon Jonatan de schuldige, sterven zal hij!’ Maar niemand gaf antwoord.
405.1 Samuel 14,40
 
Toen zei hij tegen de Israëlieten: ‘Jullie gaan aan de ene kant staan, en ik en mijn zoon Jonatan aan de andere kant.’ ‘Zoals u wilt,’ zeiden de soldaten.

Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Resultaten: [Naar het begin] [<< Terug] Genesis(138) Exodus(22) Leviticus(6) Numeri(129) Deuteronomium(19) Jozua(29) Rechters(39) Ruth(3) 1 Samuel(55) 2 Samuel(87) 1 Koningen(100) 2 Koningen(101) 1 Kronieken(158) 2 Kronieken(75) Ezra(19) Nehemia(48) Ester(6) Job(2) Psalmen(8) Spreuken(40) Prediker(4) Jesaja(26) Jeremia(71) Ezechiël(11) Daniël(2) Hosea(4) Joël(1) Amos(2) Jona(1) Micha(2) Sefanja(1) Haggai(6) Zacharia(6) Maleachi(1) Matteüs(40) Marcus(20) Lucas(54) Johannes(43) Handelingen(13) Romeinen(8) 1 Korintiërs(2) 2 Korintiërs(1) Galaten(7) Efeziërs(2) Kolossenzen(1) 1 Tessalonicenzen(1) Hebreeën(16) Jakobus(1) 1 Petrus(1) 2 Petrus(2) 1 Johannes(19) 2 Johannes(2) Openbaring(3) Tobit(25) Judit(2) Ester_(Grieks)(9) 1 Makkabeeën(27) 2 Makkabeeën(14) Wijsheid(4) Sirach(21) Baruch(6) [Verder >>]

BIBLIJA.net is een site van het Bijbelgenootschap van Slovenië

Programma: © 2001-2006 , OFMCap

Andere taalversies
van Biblija.net:

 
visitor stats