Passage opvragen   Tekst zoeken  
Passage:
Bijvoorbeeld:
  • Genesis
  • Gen
  • Gen 1
  • Gen 1:10
  • Gen 1:1-10
Woord(en):
Bijvoorbeeld:
  • evangelie
  • "groot en machtig"
  • koning*
Zoeken in:
Bijbelboeken selecteren...
Bijbelversie(s):
Andere bijbelversie(s) weergeven:
De Nieuwe Bijbelvertaling [NBV]
Statenvertaling (Jongbloed-editie) [SV-J]
NBG-vertaling 1951 [NBG51]
Willibrordvertaling 1995 [WV95]
Groot Nieuws Bijbel 1996 [GNB96]
Meer (Nederlands)...
Statenvertaling 1637[SV1637]
Statenvertaling editie 1977[SV1977]
Meer (buitenlands)...
Engels...
King James Version, 1611 [KJV]
American Standard Version, 1901 [ASV]
Good News Bible, 1992 [GNB]
Contemporary English Version, 1999 [CEV]
World English Bible, 2002 [WEB]
Frans...
Louis Segond, 1910 [SEG]
Duits...
Luthervertaling, 1545 [L45]
Spaans...
Reina-Valera Revisada, 1995 [RVR95]
Noten bij RVR 1995 [RVR95n]
Dios Habla Hoy, 2002 [DHH]
Noten bij DHH 2002 [DHHn]
Catalaans...
Biblia Catalana Interconfessional, 1993 [BCI]
Kroatisch...
Kroatische bijbel (KS), 1994 [HKS]
Latijn...
Vulgata, 4e-5e eeuw (gereconstrueerd) [VUL]
Vulgata Clementina, 1592 [VLC]
Roemeens...
Biblia Cornilescu, 1921 [RCB]
Russisch...
Russische Synodale Vertaling, 1876 [RUS]
Sloveens...
Dalmatin-bijbel 1584 (gedeeltelijk) [DAL]
Chraska-vertaling 1914 [CHR]
Oecumenische Editie 1974 [EKU]
Jubilee New Testament + Psalms 1984 [JUB]
Sloveense Standaardvertaling 1997 [SSP]
Studie-voetnoten bij SSP 1997 [SSP-Op]
Tekstverwijzingen bij SSP 1997 [SSP-Ref]
Sloveense Standaardvertaling 2006 [SSP3]

1 Kronieken 12

1 Kronieken :1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29

Davids aanhangers te Siklag
12
De volgenden zijn het, die tot David kwamen te Siklag, toen hij nog uit de nabijheid van Saul, de zoon van Kis, verbannen was. Ook zij behoorden tot de helden, de helpers in de strijd,
De stammen geven David hun steun
12
Al in de tijd dat David door Saul, de zoon van Kis, van het hof verdreven was, kwamen velen zich bij David in Siklag aansluiten. Deze dappere mannen die hem kwamen helpen in de strijd,
met bogen uitgerust, bekwaam om zowel rechter- als linkerhand te gebruiken bij het slingeren van stenen en het schieten met pijl en boog. Uit de stamgenoten van Saul, uit Benjamin, waren het: waren leden van de stam Benjamin, waartoe ook Saul behoorde. Zij waren uitgerust met pijl en boog en met slingers, en konden die zowel met de rechter- als met de linkerhand hanteren.
de aanvoerder Achiëzer en Joas, de zonen van de Gibeatiet Semaä; Jeziël en Pelet, de zonen van Azmawet; Beraka en de Antotiet Jehu; Dit zijn ze:
De aanvoerder Achiëzer en Joas, de zonen van Semaä uit Gibea;
Jeziël en Pelet, de zonen van Azmawet;
Beraka en Jehu uit Anatot;
de Gibeoniet Jismaja, één van de dertig helden, die bevel voerde over de dertig; Jirmeja, Jachaziël, Jochanan en de Gederatiet Jozabad;
Jismaja uit Gibeon, een van de dertig helden en later ook hun aanvoerder;
Eluzai, Jerimot, Bealja, Semarja en de Charufiet Sefatja;
Jirmeja, Jachaziël, Jochanan en Jozabad uit Gedera;
Elkana, Jissia, Azarel, Joëzer en Josobam, de Korachieten;
Eluzai, Jerimot, Bealja, Semarja en Sefatja uit Charif;
Joëla en Zebadja, de zonen van Jerocham, uit Gedor.
Elkana, Jissia, Azarel, Joëzer en Jasobam uit Korach;
Van de Gadieten voegden zich eveneens sommige bij David in de vesting in de woestijn, dappere helden, strijdvaardige krijgslieden, met schild en speer uitgerust, er uitziende als leeuwen, en vlug als gazellen op de bergen:
Joëla en Zebadja, de zonen van Jerocham uit Gedor.
Ezer, de aanvoerder; Obadja, de tweede; Eliab, de derde;
Toen David in de woestijn in de berggrot was, sloten sommigen uit de stam Gad zich bij hem aan. Het waren dappere helden, ervaren soldaten en ze waren uitgerust met schilden en werpsperen; zij zagen eruit als leeuwen en waren snel als gazellen op de bergen.
10 Mismanna, de vierde; Jirmeja, de vijfde; 10 Dit zijn ze in volgorde van belangrijkheid: Ezer, Obadja, Eliab,
11 Attai, de zesde; Eliël, de zevende; 11-12 Mismanna, Jirmeja, Attai, Eliël,
12 Jochanan, de achtste; Elzabad, de negende; 12 [11–12]
13 Jirmeja, de tiende; Makbannai, de elfde. 13-14 Jochanan, Elzabad, Jirmeja en Makbannai.
14 Dezen behoorden tot de zonen van Gad, aanvoerders van het leger; de kleinste reeds woog op tegen honderd, de grootste tegen duizend. 14 [13–14]
15 Dezen waren het, die in de eerste maand de Jordaan overstaken, toen deze geheel buiten zijn oevers getreden was, en die al de bewoners van de vallei oostwaarts en westwaarts op de vlucht joegen.
15 Deze mannen van de stam Gad waren allemaal officieren in het leger; de laagste onder hen was in staat het op te nemen tegen honderd man en de hoogste tegen duizend.
16 Toen er enige Benjaminieten en Judeeërs bij de vesting tot David kwamen,
16 In het voorjaar, toen de Jordaan buiten zijn oevers was getreden en de dalen zowel in het oosten als in het westen onbegaanbaar had gemaakt, hadden zij het aangedurfd de Jordaan over te steken.
17 ging David hun tegemoet en sprak hun toe: Indien gij met goede bedoelingen tot mij komt, om mij te helpen, dan wil ik met u één van hart zijn; maar is het om mij te verraden aan mijn tegenstanders, terwijl mijn handen niet met onrecht bevlekt zijn, dan moge de God onzer vaderen het zien en straffen!
17 Op een keer kwam een aantal mannen uit Benjamin en Juda aan bij de berggrot waar David zich had verscholen.
18 Toen vervulde de Geest Amasai, de aanvoerder van de dertig: De uwe, o David; met u, zoon van Isaï! Heil, heil u! Heil hem die u helpt! Want u helpt uw God. Toen nam David hen aan en maakte hen tot aanvoerders van de troep. 18 Hij liep hun tegemoet en zei: ‘Als jullie geen kwaad in de zin hebben en mij komen helpen, zijn jullie hier van harte welkom. Maar als jullie van plan zijn mij te verraden aan mijn tegenstanders, hoewel ik mij aan niets heb schuldig gemaakt, dan zal de God van onze voorouders het zien en jullie straffen.’
19 Ook uit Manasse liepen er tot David over, toen hij met de Filistijnen ten strijde trok tegen Saul; dezen heeft hij echter niet geholpen, daar de stadsvorsten der Filistijnen hem met opzet hadden weggezonden, want zij zeiden: Hij zal ten koste van onze hoofden naar zijn heer Saul overlopen.
19 Toen nam de geest van God bezit van Amasai, de aanvoerder van de dertig helden, en hij riep uit:
‘Wij behoren u toe, David. We zijn op uw hand, zoon van Isaï! Wij wensen u vrede en geluk en alle goeds aan wie u helpt. U kunt rekenen op de hulp van uw God!’
Toen nam David hen op in zijn korps en stelde hen aan tot officier.
20 Toen hij naar Siklag ging, kozen uit Manasse zijn zijde: Adnach, Jozabad, Jediaël, Michaël, Jozabad, Elihu en Silletai, aanvoerders van de duizenden van Manasse.
20 Toen David met de Filistijnen tegen Saul ten strijde trok, liepen enkele mannen uit de stam Manasse naar David over. Maar David heeft de Filistijnen niet werkelijk geholpen. Want de stadskoningen van de Filistijnen hadden hem opzettelijk weggestuurd, omdat zij dachten: ‘Als hij overloopt naar zijn koning, naar Saul, kost ons dat het leven.’
21 Dezen stonden David terzijde bij het aanvoeren van de troep, want zij waren allen dappere helden en werden oversten in het leger. 21 Toen David naar Siklag ging, liepen de volgende mannen uit de stam Manasse naar hem over: Adnach, Jozabad, Jediaël, Michaël, Jozabad, Elihu en Silletai, allen commandant over duizend soldaten uit Manasse.
22 Want van dag tot dag kwamen er tot David om hem te helpen, tot het een groot leger werd, als een leger Gods. 22 Zij hielpen David bij de leiding van het keurkorps. Ze waren immers allemaal dappere helden en officier in het leger.
Davids leger te Hebron
23 Dit nu zijn de getallen van de afdelingen dergenen die, ten strijde toegerust, tot David kwamen te Hebron om volgens de belofte des HEREN het koningschap van Saul op hem te doen overgaan:
23 Er ging geen dag voorbij of er meldden zich nieuwe helpers, zodat er een geweldig groot leger ontstond.
24 Judeeërs, schild en speer dragend, zesduizend achthonderd ten strijde toegerusten.
24 Uit alle stammen kwamen groepen gevechtsklare mannen naar Hebron om David te helpen het koningschap van Saul over te nemen volgens de belofte van de Heer. Dit zijn hun aantallen:
25 Van de Simeonieten: dappere helden in de strijd, zevenduizend en honderd.
25 Juda: achtenzestighonderd gevechtsklare mannen, uitgerust met schild en werpspeer;
26 Van de Levieten: vierduizend zeshonderd;
26 Simeon: eenenzeventighonderd geoefende soldaten;
27 voorts Jehojada, een vorst van de Aäronieten, en met hem drieduizend zevenhonderd;
27-28 Levi: zesenveertighonderd man; onder hen Jehojada, stamhoofd van de nakomelingen van Aäron, met zevenendertighonderd volgelingen,
28 en Sadok, een jongeman, een dapper held, met zijn familie: tweeëntwintig oversten. 28 [27–28]
29 Van de Benjaminieten, de stamgenoten van Saul, drieduizend; het grootste gedeelte van hen was echter tot dusver trouw gebleven aan het huis van Saul. 29 en Sadok, een jongeman nog, maar flink in zijn optreden, met tweeëntwintig van zijn verwanten, allen aanvoerders;
30 Van de Efraïmieten: twintigduizend achthonderd, dappere helden, mannen van naam in hun families.
30 Benjamin, de stam van Saul: drieduizend man; de meeste leden van de stam Benjamin waren het koningshuis van Saul tot dusver trouw gebleven;
31 Van de halve stam Manasse: achttienduizend, met name aangewezen, gekomen om David koning te maken.
31 Efraïm: twintigduizend achthonderd geoefende soldaten, mannen die in hun stam iets te betekenen hadden;
32 Van de Issakarieten, die de juiste tijden kenden, zodat zij wisten wat Israël doen moest: tweehonderd aanvoerders van hen met al hun broeders over wie zij het bevel voerden.
32 West-Manasse: achttienduizend man, officieel afgevaardigd om David koning te maken;
33 Van Zebulon, in het leger uitrukkend, toegerust tot de krijg met allerlei wapentuig: vijftigduizend, die zich zonder aarzeling in slagorde zouden opstellen.
33 Issakar: tweehonderd hoofden met hun stamgenoten, over wie zij het bevel voerden; de leden van deze stam konden vaststellen of de tijden gunstig waren of niet en zo bepalen welke koers Israël moest varen;
34 Van Naftali: duizend oversten, en met hen zevenendertigduizend man met schild en speer.
34 Zebulon: vijftigduizend man, gevechtsklaar, op alle wapens geoefend, volgzaam en vastberaden;
35 Van de Danieten, toegerust tot de krijg: achtentwintigduizend zeshonderd.
35 Naftali: duizend aanvoerders met zevenendertigduizend man, gewapend met schild en lans;
36 Van Aser, in het leger uitrukkend, toegerust tot de krijg: veertigduizend.
36 Dan: achtentwintigduizend zeshonderd geoefende mannen;
37 En van de overzijde van de Jordaan, uit de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse, voorzien van allerlei wapentuig voor de strijd: honderdentwintigduizend.
37 Aser: veertigduizend gevechtsklare en geoefende mannen;
38 Deze allen, strijders in gelid geschaard, kwamen met een volkomen toegewijd hart naar Hebron, om David koning te maken over geheel Israël; ook al de overige Israëlieten waren één van zin om David koning te maken.
38 Ruben, Gad en Oost-Manasse, stammen oostelijk van de Jordaan: honderdtwintigduizend man, uitgerust met allerlei oorlogswapens.
39 Zij bleven daar bij David drie dagen, etende en drinkende, want hun broeders hadden alles voor hen bereid;
39 Al deze strijders kwamen in gesloten gelederen naar Hebron, vastbesloten om David koning te maken van heel Israël. Ook alle Israëlieten die niet meegekomen waren, waren het erover eens dat David koning moest worden.
40 ja ook de omwonenden, zelfs tot Issakar, Zebulon en Naftali toe, brachten spijs aan op ezels, kamelen, muildieren en runderen: meelspijs, vijgenkoeken en rozijnenkoeken, wijn en olie, runderen en kleinvee in grote hoeveelheid, want er was vreugde in Israël. 40 Ze bleven daar drie dagen in Davids gezelschap en hielden een feestmaal waarop hun verwanten uit Juda hen onthaalden.

NBG-vertaling 1951
© 1951 Nederlands Bijbelgenootschap

Groot Nieuws Bijbel (herziene editie 1996)
© 1996 Nederlands Bijbelgenootschap en Katholieke Bijbelstichting

Kijkt u ook eens naar:
Voor informatie over hoe het NBG omgaat met de privacy van websitebezoekers: klik hier.
Vragen? Stuur een e-mail naar
info@bijbelgenootschap.nl
visitor stats