Het Nederlandstalige deel van Biblija.net wordt beheerd door het Nederlands Bijbelgenootschap

» STEUN ONS «
Woord(en):
Bijvoorbeeld:
  • evangelie
  • "groot en machtig"
  • koning*
  • gezalfde messias
Zoeken in bijbelversie:

Lucas 4:1-13

Lucas :1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24

Door de duivel op de proef gesteld
4
1 Vol van heilige Geest keerde Jezus terug van de Jordaan. Hij bleef veertig dagen lang in geestvervoering in de woestijn,
Jezus wordt op de proef gesteld
4
Vol van de heilige Geest ging Jezus van de Jordaan weg, de woestijn in.
Jezus door de duivel op de proef gesteld
4
1-2 Vervuld van de heilige Geest trok Jezus weg van de Jordaan, en geleid door de Geest zwierf hij veertig dagen rond in de woestijn, waar hij door de duivel op de proef werd gesteld. Al die tijd at hij niets, en toen de veertig dagen verstreken waren, had hij grote honger.
2 waar Hij door de duivel op de proef werd gesteld. Al die dagen at Hij niets, en toen ze voorbij waren kreeg Hij honger. Hij bleef er veertig dagen, geleid door de Geest. Daar werd hij door de duivel op de proef gesteld. Al die dagen at hij niets, en toen ze voorbij waren, had hij honger. [1–2]
3 Toen zei de duivel tegen Hem: ‘Als U de Zoon van God bent, zeg dan tegen deze steen dat hij een brood moet worden.’ De duivel zei tegen hem: ‘Als u de Zoon van God bent, zeg dan tegen deze steen hier dat hij in brood moet veranderen.’ De duivel zei tegen hem: ‘Als u de Zoon van God bent, beveel die steen dan in een brood te veranderen.’
4 Jezus antwoordde hem: ‘Er staat geschreven: Niet van brood alleen zal de mens leven.’ Maar Jezus antwoordde: ‘Er staat geschreven: Een mens leeft niet van brood alleen.’ Maar Jezus antwoordde: ‘Er staat geschreven: “De mens leeft niet van brood alleen.”’
(sluit) (4:4) De mens leeft niet van brood alleen – Andere handschriften lezen: ‘De mens leeft niet van brood alleen, maar van elk woord dat komt van God’.
5 Daarop nam de duivel Hem mee omhoog en liet Hem in een flits alle koninkrijken van de wereld zien
Toen nam hij Jezus mee naar een hoog punt en liet hem in één ogenblik alle koninkrijken van de wereld zien.
Toen bracht de duivel hem naar een hooggelegen plaats en liet hem in een en hetzelfde ogenblik alle koninkrijken van de wereld zien.
6 en zei: ‘Heel die macht en al hun pracht zal ik U geven, want zij zijn mij in handen gegeven en ik geef ze aan wie ik wil. ‘Al die macht, al die pracht, zal ik u geven,’ zei hij, ‘want zij zijn mij in handen gegeven en ik kan ze geven aan wie ik wil. De duivel zei tegen hem: ‘Ik geef u de macht over dat alles en ook de roem die ermee gepaard gaat, want ik kan daarover beschikken en ik geef het aan wie ik wil;
7 Als U mij aanbidt zal het allemaal van U zijn.’ Kniel dus in aanbidding voor mij neer, en het is allemaal van u.’ als u in aanbidding voor mij neervalt, zal dat allemaal van u zijn.’
8 Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Er staat geschreven: De Heer uw God zult u aanbidden en Hem alleen dienen.’ Jezus antwoordde hem: ‘Er staat geschreven: Aanbid de Heer, uw God, en vereer hem alleen.’ Maar Jezus antwoordde: ‘Er staat geschreven: “Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen hem.”’
9 Hij bracht Hem naar Jeruzalem, zette Hem op de rand van de tempel en zei: ‘Als U de Zoon van God bent, spring dan naar beneden.
Daarna bracht de duivel hem naar Jeruzalem, zette hem boven op het tempeldak en zei: ‘Als u de Zoon van God bent, laat u dan van hier naar beneden vallen!
De duivel bracht Jezus naar Jeruzalem en zette hem op het hoogste punt van de tempel, en hij zei tegen hem: ‘Als u de Zoon van God bent, spring dan naar beneden.
10 Want er staat geschreven: Aan zijn engelen zal Hij bevelen U te beschermen, 10 Want er staat geschreven: God zal zijn engelen sturen om over u te waken. 10 Want er staat geschreven: “Zijn engelen zal hij opdracht geven om over u te waken.”
11 en: Op hun handen zullen ze U dragen, zodat U aan geen steen uw voet zult stoten.’ 11 En ook: Zij zullen u dragen op hun handen, u zult zich aan geen steen stoten.’ 11 En ook: “Op hun handen zullen zij u dragen, zodat u uw voet niet zult stoten aan een steen.”’
12 Jezus antwoordde hem: ‘Er is gezegd: U zult de Heer uw God niet op de proef stellen.’ 12 Jezus antwoordde hem: ‘Er is ook gezegd: Stel de Heer, uw God, niet op de proef.’ 12 Maar Jezus antwoordde: ‘Er is gezegd: “Stel de Heer, uw God, niet op de proef.”’
13 Toen de duivel alle beproevingen had uitgevoerd, ging hij van Hem weg voor een bepaalde tijd.
13 Toen de duivel hem op alle mogelijke manieren op de proef had gesteld, ging hij van hem weg, tot een bepaalde tijd.
13 Toen de duivel Jezus aan al deze beproevingen had onderworpen, ging hij voor een tijd bij hem vandaan.

Uit: Willibrordvertaling (herziene editie 1995)
© 1995 Katholieke Bijbelstichting

Uit: Groot Nieuws Bijbel (herziene editie 1996)
© 1996 Nederlands Bijbelgenootschap en Katholieke Bijbelstichting

Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

BIBLIJA.net is een site van het Bijbelgenootschap van Slovenië

Programma: © 2001-2006 , OFMCap

Andere taalversies
van Biblija.net:

 
visitor stats