Het Nederlandstalige deel van Biblija.net wordt beheerd door het Nederlands Bijbelgenootschap

» STEUN ONS «
Woord(en):
Bijvoorbeeld:
  • evangelie
  • "groot en machtig"
  • koning*
  • gezalfde messias
Zoeken in bijbelversie:

MatteŁs 23:9

MatteŁs :1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28

9 En gij zult niemand uw vader noemen op de aarde; want
(sluit) [23:9] Mal 1:6.
Eťn is uw Vader, namelijk Die in de hemelen is.
9†En gij zult op aarde niemand uw vader noemen, want ťťn is uw Vader, Hij, die in de hemelen is.

MatteŁs 23

MatteŁs :1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28

Jezus' oordeel over de schriftgeleerden en farizeeŽn
23
1 Toen sprak Jezus tot de scharen en tot Zijn discipelen,
Rede tegen de schriftgeleerden en FarizeeŽn
23
1†Toen sprak Jezus tot de scharen en tot zijn discipelen,
2 Zeggende: De
(sluit) [23:2] Neh 8:5.
schriftgeleerden en de farizeeŽn zijn gezeten op den stoel van Mozes;
2†zeggende: De schriftgeleerden en de FarizeeŽn hebben zich gezet op de stoel van Mozes.
3 Daarom,
(sluit) [23:3] Deut 17:19. Mal 2:6.
al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hun werken; want
(sluit) [23:3] Rom 2:19.
zij zeggen het, en doen het niet.
3†Alles dan, wat zij u ook zeggen, doet dat en onderhoudt dat, maar doet niet naar hun werken, want zij zeggen het wel, maar doen het niet.
4 Want zij binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouderen der mensen; maar zij willen die met hun vinger niet verroeren.
4†Zij binden zware lasten bijeen en leggen die op de schouders der mensen, maar zelf willen zij ze met hun vinger niet verroeren.
5 En al hun werken doen zij, om
(sluit) [23:5] Matt 6:5.
van de mensen gezien te worden; want zij maken hun
(sluit) [23:5] Deut 6:8; 22:12.
gedenkcedels breed, en maken de zomen van hun klederen groot.
5†Al hun werken doen zij om in het oog te lopen bij de mensen, want zij maken hun gebedsriemen breed en hun kwasten groot,
6 En zij beminnen de vooraanzitting in de maaltijden, en de voorgestoelten in de synagogen;
6†zij houden van de eerste plaats bij de maaltijden en van de erezetels in de synagogen,
7 Ook de begroetingen op de markten, en van de mensen genaamd
(sluit) [23:7] Jak 3:1.
te worden: Rabbi, Rabbi!
7†en van de begroetingen op de markten en om door de mensen rabbi genoemd te worden. Gij zult u niet rabbi laten noemen;
8 Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden; want Eťn is uw Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders.
8†want ťťn is uw Meester en gij zijt allen broeders.
9 En gij zult niemand uw vader noemen op de aarde; want
(sluit) [23:9] Mal 1:6.
Eťn is uw Vader, namelijk Die in de hemelen is.
9†En gij zult op aarde niemand uw vader noemen, want ťťn is uw Vader, Hij, die in de hemelen is.
10 Noch zult gij meesters genoemd worden; want Eťn is uw Meester, namelijk Christus.
10†Laat u ook geen leidslieden noemen, want ťťn is uw Leidsman, de Christus.
11 Maar
(sluit) [23:11] Matt 20:26.
de meeste van u zal uw dienaar zijn.
11†Maar wie de grootste onder u is, zal uw dienaar zijn.
12 En wie zichzelven verhogen zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelven zal vernederen, die zal verhoogd worden.
12†Al wie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden en al wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd worden.
13 Maar
(sluit) [23:13] Luk 11:52.
wee u, gij schriftgeleerden en farizeeŽn, gij geveinsden! want gij sluit het Koninkrijk der hemelen voor de mensen, overmits gij daar niet ingaat, noch degenen, die ingaan zouden, laat ingaan.
13†Maar wee u, schriftgeleerden en FarizeeŽn, gij huichelaars, want gij sluit het Koninkrijk der hemelen toe voor de mensen. Immers, gij gaat er niet binnen en die trachten binnen te gaan, laat gij niet toe daarin te komen.
14 Wee u, gij schriftgeleerden en farizeeŽn, gij geveinsden, want gij eet de huizen der weduwen op, en dat onder den schijn van lang te bidden; daarom zult gij te zwaarder oordeel ontvangen.
14†[Wee u, schriftgeleerden en FarizeeŽn, gij huichelaars, want gij eet de huizen der weduwen op, terwijl gij voor de schijn lange gebeden uitspreekt. Daarom zult gij zwaarder oordeel ontvangen.]
15 Wee u, gij schriftgeleerden en farizeeŽn, gij geveinsden, want gij omreist zee en land, om een Jodengenoot te maken, en als hij het geworden is, zo maakt gij hem een kind der helle, tweemaal meer dan gij zijt.
15†Wee u, schriftgeleerden en FarizeeŽn, gij huichelaars, want gij trekt zee en land rond, om ťťn bekeerling te maken, en wanneer hij het wordt, maakt gij van hem een kind der hel, tweemaal zo erg als gij het zelf zijt.
16 Wee u, gij blinde leidslieden, die zegt: Zo wie gezworen zal hebben bij den tempel, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij het goud des tempels, die is schuldig.
16†Wee u, blinde wegwijzers, die zegt: Heeft iemand bij de tempel gezworen, dat betekent niets; maar heeft iemand bij het goud van de tempel gezworen, dan is hij gebonden.
17 Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, het goud, of de tempel, die het goud heiligt?
17†Gij dwazen en blinden, wat toch is meer, het goud of de tempel, die het goud geheiligd heeft?
18 En zo wie gezworen zal hebben bij het altaar, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij de gave, die daarop is, die is schuldig.
18†En heeft iemand bij het altaar gezworen, dat betekent niets; maar heeft iemand bij de gave, die daarop ligt, gezworen, dan is hij gebonden.
19 Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, de gave, of het altaar,
(sluit) [23:19] Ex 29:37.
dat de gave heiligt?
19†Gij blinden, immers, wat is meer, de gave of het altaar, dat de gave heiligt?
20 Daarom wie zweert bij het altaar, die zweert bij hetzelve, en bij al wat daarop is.
20†Wie dus gezworen heeft bij het altaar, zweert daarbij en bij alles, wat erop ligt.
21 En wie zweert bij den tempel, die zweert bij denzelven, en bij Dien, Die daarin woont.
21†En wie gezworen heeft bij de tempel, zweert daarbij en bij Hem, die erin woont.
22 En wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods, en bij Dien, Die daarop zit.
22†En wie gezworen heeft bij de hemel, zweert bij de troon Gods en bij Hem, die daarop gezeten is.
23 Wee
(sluit) [23:23] Luk 11:42.
u, gij schriftgeleerden en farizeeŽn, gij geveinsden, want gij vertient de munte, en de dille, en den komijn, en gij laat na het zwaarste der wet, namelijk het oordeel, en de barmhartigheid, en het geloof. Deze
(sluit) [23:23] Matt 9:13; 12:7.
dingen moest men doen, en de andere niet nalaten.
23†Wee u, schriftgeleerden en FarizeeŽn, gij huichelaars, want gij geeft tienden van de munt, de dille en de komijn en gij hebt het gewichtigste van de wet verwaarloosd: het oordeel en de barmhartigheid en de trouw.
24 Gij blinde leidslieden, die de mug uitzijgt, en den kemel doorzwelgt.
24†Dit moest men doen en het andere niet nalaten. Gij blinde wegwijzers, die de mug uitzift, maar de kameel doorzwelgt.
25 Wee
(sluit) [23:25] Luk 11:39.
u, gij schriftgeleerden en farizeeŽn, gij geveinsden, want gij reinigt het buitenste des drinkbekers, en des schotels, maar van binnen zijn zij vol van roof en onmatigheid.
25†Wee u, schriftgeleerden en FarizeeŽn, gij huichelaars, want gij reinigt de buitenzijde van de beker en van de schotel, maar van binnen zijn zij vol roof en onmatigheid.
26 Gij blinde farizeeŽr, reinig eerst wat
(sluit) [23:26] Tit 1:15.
binnen in den drinkbeker en den schotel is, opdat ook het buitenste derzelve rein worde.
26†Gij blinde FarizeeŽr, reinig eerst de inhoud van de beker; dan zal hij ook van buiten rein worden.
27 Wee u, gij schriftgeleerden en farizeeŽn, gij geveinsden, want gij zijt den
(sluit) [23:27] Hand 23:3.
witgepleisterden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid.
27†Wee u, schriftgeleerden en FarizeeŽn, gij huichelaars, want gij gelijkt op gewitte graven, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen vol zijn van doodsbeenderen en allerlei onreinheid.
28 Alzo ook schijnt gij wel den mensen van buiten rechtvaardig, maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en ongerechtigheid.
28†Zo ook gij, van buiten schijnt gij de mensen wel rechtvaardig, doch van binnen zijt gij vol huichelarij en wetsverachting.
29 Wee
(sluit) [23:29] Luk 11:47.
u, gij schriftgeleerden en farizeeŽn, gij geveinsden, want gij bouwt de graven der profeten op, en versiert de graftekenen der rechtvaardigen;
29†Wee u, schriftgeleerden en FarizeeŽn, gij huichelaars, want gij bouwt de grafsteden der profeten en verfraait de gedenktekenen der rechtvaardigen,
30 En zegt: Indien wij in de tijden onzer vaderen waren geweest, wij zouden met hen geen gemeenschap gehad hebben aan het bloed der profeten.
30†en gij zegt: Indien wij geleefd hadden in de dagen onzer vaderen, zouden wij met hen geen gemene zaak gemaakt hebben ten opzichte van het bloed der profeten.
31 Aldus getuigt gij tegen uzelven, dat gij kinderen zijt dergenen, die de profeten gedood hebben.
31†Gij getuigt dus van uzelf, dat gij zonen zijt van de moordenaars der profeten.
32 Gij dan ook, vervult de mate uwer vaderen!
32†Maakt ook gij de maat uwer vaderen vol!
33 Gij
(sluit) [23:33] Matt 3:7.
slangen, gij adderengebroedsels! hoe zoudt gij de helse verdoemenis ontvlieden?
33†Slangen, adderengebroed, hoe zult gij ontkomen aan het oordeel der hel?
34 Daarom
(sluit) [23:34] Luk 11:49.
ziet, Ik zende tot u profeten, en wijzen, en schriftgeleerden, en uit dezelve zult gij sommigen doden en kruisigen, en sommigen uit dezelve zult gij
(sluit) [23:34] Matt 10:17. Hand 5:40.
geselen in uw synagogen, en zult hen vervolgen van stad tot stad;
34†Daarom, zie, Ik zend tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden. Van hen zult gij sommigen doden en kruisigen en van hen zult gij anderen geselen in uw synagogen en vervolgen van stad tot stad,
35 Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van
(sluit) [23:35] Gen 4:8. Hebr 11:4.
het bloed des rechtvaardigen Abels af, tot op het
(sluit) [23:35] 2 Kron 24:21.
bloed van ZacharŪa, den zoon van BarachŪa, welken gij gedood hebt tussen den tempel en het altaar.
35†opdat over u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op de aarde, van het bloed van Abel, de rechtvaardige, tot het bloed van Zacharias, de zoon van Berekja, die gij vermoord hebt tussen het tempelhuis en het altaar.
36 Voorwaar zeg Ik u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht.
36†Voorwaar, Ik zeg u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht.
37 Jeruzalem,
(sluit) [23:37] Luk 13:34.
Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt,
(sluit) [23:37] Matt 21:35, 36.
die tot u gezonden zijn! hoe
(sluit) [23:37] Ps 17:8; 91:4.
menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen; en gijlieden hebt niet gewild.
37†Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt niet gewild.
38 Ziet, uw huis wordt u woest gelaten.
38†Zie, uw huis wordt aan u overgelaten.
39 Want Ik zeg u: Gij zult Mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend
(sluit) [23:39] Ps 118:26.
is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!
39†Want Ik zeg u, gij zult Mij van nu aan niet meer zien, totdat gij zegt:
Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren!
 
Uit: Statenvertaling (Jongbloed-editie)

Uit: NBG-vertaling 1951
© 1951 Nederlands Bijbelgenootschap

BIBLIJA.net is een site van het Bijbelgenootschap van SloveniŽ

Programma: © 2001-2006 , OFMCap

Andere taalversies
van Biblija.net:

 
visitor stats