United Bible Societies

Books in SV1637:

Oude Testament
Genesis
Exodus
Leviticus
Numeri
Deuteronomium
Josua
Richteren
Ruth
1 Samuel
2 Samuel
1 Coningen
2 Coningen
1 Chroniken
2 Chroniken
Ezra
Nehemia
Esther
Job
Psalmen
Spreuken
Prediker
Hooglied
Jesaja
Jeremia
Klaagliederen
Ezechiel
Daniel
Hosea
Joel
Amos
Obadja
Jona
Micha
Nahum
Habakuk
Zephan-ja
Haggai
Zacharia
Maleachi
Nieuwe Testament
Mattheus
Marcus
Lucas
Ioannes
Handelingen
Romeinen
1 Corinthen
2 Corinthen
Galaten
Efeze
Philippensen
Colossensen
1 Thessalonicensen
2 Thessalonicensen
1 Timotheus
2 Timotheus
Titus
Filemon
Hebreen
Jacobus
1 Petrus
2 Petrus
1 Ioannes
2 Ioannes
3 Ioannes
Judas
Apocalypsis
Apocryphe Boecken
3 Esdras
4 Esdras
Tobit
Judith
Wysheyt
Jesu Sirach
Baruch
Aenhangsel Esther
Aenhangselen Daniel
Gebedt van Manasse
1 Machabeen
2 Machabeen
3 Machabeen


BIBLIJA.net   - the Bible on the Internet
Place Search     Word Search
Passage:   

Compact display
Versions:  CEV  GNB  WEB  ASV  KJV  DHH  DHHn  RVR95  RVR95n  BCI  SEG  L45  RUS  HKS  RCB  VLC  VUL  SV1637  SV-J  SV1977  NBG51  WV95  GNB96  NBV  HSV  SSP  SSP-Op  SSP-Ref  SSP3  JUB  EKU  CHR  DAL Choose from a standard set of versions for the selected language   About versions Help
Language

Marcus 14

Marcus :1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16

Het xiiij. Capittel.
14
1 ENde het Pascha, ende [het Feest] der ongehevelde [brooden] was na twee dagen, ende de Overpriesters ende de Schrift-geleerde sochten, hoe sy hem met listicheyt vangen ende dooden souden.
De zalving te Bethanië
14
1 En het
(sluit) [14:1] Matt 26:2. Luk 22:1. Joh 11:55; 13:1.
pascha, en het feest der ongehevelde broden was na twee dagen. En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem met listigheid vangen en doden zouden.
De zalving en het verraad
14
Nu was het na twee dagen Pascha en het feest der ongezuurde broden. En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem door list in handen zouden krijgen en doden.
2 Maer sy seyden, Niet in het feest, op dat niet misschien oproer onder het volck en worde.
2 Maar zij zeiden: Niet in het feest, opdat niet misschien oproer onder het volk worde.
Want zij zeiden: Niet op het feest, opdat er geen opschudding kome onder het volk.
3 Ende als hy te Bethanien was in het huys Simonis des Melaetschen, daer hy aen [tafel] sat, quam een vrouwe hebbende een alabaster-flessche met salve van onvervalschte nardus, van grooten prijs: ende d’alabaster-flessche gebroken hebbende goot die op sijn hooft.
3 En
(sluit) [14:3] Matt 26:6. Luk 7:37. Joh 11:2; 12:3.
als Hij te Bethanië was, in het huis van Simon, den melaatse, daar Hij aan tafel zat, kwam een vrouw, hebbende een albasten fles met zalf van onvervalsten nardus, van groten prijs; en de albasten fles gebroken hebbende, goot die op Zijn hoofd.
En toen Hij te Betanië was in het huis van Simon de melaatse, kwam, terwijl Hij aan tafel aanlag, een vrouw met een albasten kruik vol echte, kostbare nardusmirre; en zij brak de albasten kruik en goot (de mirre) over zijn hoofd.
4 Ende daer waren sommige die dat seer qualick namen by haer selven, ende seyden, Waer toe is dit verlies der salve geschiet?
4 En er waren sommigen, die dat zeer kwalijk namen bij zichzelven, en zeiden: Waartoe is dit verlies der zalf geschied?
En sommigen spraken verontwaardigd tot elkander: Waartoe dient die verkwisting der mirre?
5 Want de selve hadde connen boven de drie hondert penningen vercocht, ende [die] den armen gegeven worden: ende sy vergrimden tegen haer.
5 Want dezelve had kunnen boven de driehonderd penningen verkocht, en die den armen gegeven worden; en zij vergrimden tegen haar.
Want deze mirre had voor meer dan driehonderd schellingen verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden. En zij waren zeer verstoord tegen haar.
6 Maer Iesus seyde, Laet af van haer: wat doet ghy haer moeyte aen? Sy heeft een goet werck aen my gewrocht.
6 Maar Jezus zeide: Laat af van haar; wat doet gij haar moeite aan? Zij heeft een goed werk aan Mij gewrocht.
Maar Jezus zeide: Laat haar begaan; waarom valt gij haar lastig? Zij heeft een goede daad aan Mij verricht.
7 Want de arme hebt ghy altijt met u, ende wanneer ghy wilt cont ghy haer wel doen, maer my en hebt ghy niet altijt.
7 Want
(sluit) [14:7] Deut 15:11.
de armen hebt gij altijd met u, en wanneer gij wilt, kunt gij hun weldoen; maar Mij hebt gij niet altijd.
De armen hebt gij immers altijd bij u en gij kunt hun weldoen, wanneer gij maar wilt; maar Mij hebt gij niet altijd.
8 Sy heeft gedaen ’t geen sy conde: sy is voorgecomen om mijn lichaem te salven, [tot een voor-bereydinge] ter begravenisse.
8 Zij heeft gedaan, hetgeen zij konde; zij is voorgekomen, om Mijn lichaam te zalven, tot een voorbereiding ter begrafenis.
Zij heeft gedaan, wat zij kon; van tevoren heeft zij mijn lichaam gezalfd voor de begrafenis.
9 Voorwaer segge ick u, alwaer dit Euangelium gepredickt sal worden inde geheele werelt, [daer] sal oock tot haerer gedachtenisse gesproken worden, van ’t gene sy gedaen heeft.
9 Voorwaar zeg Ik u: Alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de gehele wereld, daar zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden, van hetgeen zij gedaan heeft.
Voorwaar, Ik zeg u, overal waar het evangelie verkondigd zal worden, over de gehele wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van wat zij gedaan heeft.
10 Ende Iudas Iscarioth, een van de twaelve ginck henen tot de Overpriesters, op dat hy hem haer soude overleveren.
10 En
(sluit) [14:10] Matt 26:14. Luk 22:4.
Judas Iskáriot, een van de twaalven, ging heen tot de overpriesters, opdat hij Hem hun zou overleveren.
10 En Judas Iskariot, die een van de twaalven was, ging heen naar de overpriesters om Hem aan hen over te leveren.
11 Ende sy [dat] hoorende waren verblijdt, ende beloofden hem gelt te geven, ende hy socht hoe hy hem bequamelick overleveren soude.
11 En zij, dat horende, waren verblijd, en beloofden hem geld te geven; en hij zocht, hoe hij Hem bekwamelijk overleveren zou.
11 Toen zij dat hoorden, verblijdden zij zich en beloofden hem geld te geven. En hij zocht, hoe hij Hem bij een goede gelegenheid kon overleveren.
12 Ende op den eersten dagh der ongehevelde [brooden] wanneer sy het Pascha slachteden, seyden sijne Discipelen tot hem, Waer wilt ghy dat wy henen gaen, ende bereyden dat ghy het Pascha etet?
De paastijd
12 En
(sluit) [14:12] Matt 26:17. Luk 22:7.
op den eersten dag der
(sluit) [14:12] Ex 12:17.
ongehevelde broden, wanneer zij het pascha slachtten, zeiden Zijn discipelen tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij heengaan, en bereiden, dat Gij het pascha eet?
De voorbereiding van de paasmaaltijd – Het verraad voorzegd
12 En op de eerste dag van het feest der ongezuurde broden, waarop men gewoon was het Pascha te slachten, zeiden zijn discipelen tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij heengaan en toebereidselen maken, opdat Gij het Pascha kunt eten?
13 Ende hy sondt twee van sijne Discipelen uyt, ende seyde tot haer, Gaet henen inde stadt, ende u sal een mensche ontmoeten, dragende een cruycke waters, volght dien.
13 En Hij zond twee van Zijn discipelen uit, en zeide tot hen: Gaat henen in de stad, en u zal een mens ontmoeten, dragende een kruik water, volgt dien;
13 En Hij zond twee van zijn discipelen uit en zeide tot hen: Gaat naar de stad en er zal u een man tegenkomen, die een kruik water draagt; volgt hem,
14 Ende so waer hy ingaet, seght tot den heere des huys, De Meester seght, Waer is de eet-sale, daer ick het Pascha met mijne Discipelen eten sal?
14 En zo waar hij ingaat, zegt tot den heer des huizes: De Meester zegt: Waar is de eetzaal, daar Ik het pascha met Mijn discipelen eten zal?
14 en zegt tot de heer van het huis, waar hij binnengaat: De meester zegt: Waar is voor Mij het vertrek, waar Ik met mijn discipelen het Pascha kan eten?
15 Ende hy sal u wijsen een groote opper-sale, toegerust [ende] gereedt: bereydt het ons aldaer.
15 En hij zal u wijzen een grote opperzaal, toegerust en gereed; bereidt het ons aldaar.
15 En hij zal u een grote bovenzaal wijzen, van al het nodige voorzien. Maakt het daar voor ons gereed.
16 Ende sijne Discipelen gingen uyt, ende quamen inde stadt, ende vonden’t gelijck hy haer geseght hadde, ende bereydden het Pascha.
16 En Zijn discipelen gingen uit, en kwamen in de stad, en vonden het, gelijk Hij hun gezegd had, en bereidden het pascha.
16 En de discipelen gingen heen en kwamen in de stad en vonden het, zoals Hij hun gezegd had en zij maakten het Pascha gereed.
17 Ende als het avont geworden was, quam hy met de twaelve.
Ontmaskering van Judas
17 En
(sluit) [14:17] Matt 26:20. Luk 22:14.
als het avond geworden was, kwam Hij met de twaalven.
17 En toen het avond geworden was, kwam Hij met de twaalven.
18 Ende als sy aensaten ende aten, seyde Iesus, Voorwaer ick segge u, dat een van u, die met my eet, my sal verraden.
18 En als zij aanzaten en aten, zeide Jezus: Voorwaar, Ik zeg u, dat
(sluit) [14:18] Ps 41:10. Hand 1:17.
een van u, die met Mij eet, Mij zal verraden.
18 En terwijl zij aanlagen en aten, zeide Jezus: Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u Mij verraden zal; een die met Mij eet.
19 Ende sy begonden bedroeft te worden, ende d’een na d’ander tot hem seggen, Ben ick’t? ende een ander, Ben ick’t?
19 En zij begonnen bedroefd te worden, en de een na den ander tot Hem te zeggen: Ben ik het? En een ander: Ben ik het?
19 Zij begonnen bedroefd te worden en één voor één tot Hem te zeggen: Ik toch niet?
20 Maer hy antwoordde ende seyde tot haer, [’T is] een uyt de twaelve, die met my in de schotel indopt.
20 Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Het is een uit de twaalven, die met Mij in den schotel indoopt.
20 En Hij zeide tot hen: Eén van de twaalven, die met Mij in de [ene] schotel indoopt.
21 De Sone des menschen gaet wel henen, gelijck van hem geschreven is, maer wee dien mensche, door welcken de Sone des menschen verraden wort: Het waer hem goet, so die mensche niet geboren en ware geweest.
21 De Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven is; maar wee dien mens, door welken de Zoon des mensen verraden wordt! Het ware hem goed, zo die mens niet geboren ware geweest.
21 Want de Zoon des mensen gaat wel heen gelijk van Hem geschreven staat, doch wee die mens, door wie de Zoon des mensen verraden wordt. Het ware voor die mens goed, als hij niet geboren was.
22 Ende als sy aten, nam Iesus broodt, ende als hy gesegent hadde, brack hy het, ende gaf het haer, ende seyde, Nemet, etet, dat is mijn lichaem.
Instelling van het Heilig Avondmaal
22 En
(sluit) [14:22] Matt 26:26. Luk 22:19. 1 Kor 11:23.
als zij aten, nam Jezus brood, en als Hij gezegend had, brak Hij het, en gaf het hun, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.
De instelling van het Avondmaal
22 En terwijl zij aten, nam Hij een brood, sprak de zegen uit, brak het, gaf het hun en zeide: Neemt, dit is mijn lichaam.
23 Ende nam den drinckbeker, ende gedanckt hebbende gaf haer [dien]: ende sy droncken alle uyt den selven.
23 En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien; en zij dronken allen uit denzelven.
23 En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit, en gaf hun die en zij dronken allen daaruit.
24 Ende hy seyde tot haer, Dat is mijn bloedt, het [bloedt] des nieuwen Testaments, ’t welck voor vele vergoten wort.
24 En Hij zeide tot hen: Dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt.
24 En Hij zeide tot hen: Dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt.
25 Voorwaer ick segge u, dat ick niet meer en sal drincken vande vrucht des wijnstocks, tot op dien dagh, wanneer ick de selve sal nieuw drincken in het Coninckrijcke Godts.
25 Voorwaar, Ik zeg u, dat Ik niet meer zal drinken van de vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer Ik dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Gods.
25 Voorwaar, Ik zeg u, Ik zal voorzeker niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar nieuw zal drinken, in het Koninkrijk Gods.
26 Ende als sy den Lofsangh gesongen hadden, gingen sy uyt na den Olijf-bergh.
26 En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg.
De verloochening voorzegd
26 En na de lofzang gezongen te hebben, vertrokken zij naar de Olijfberg.
27 Ende Iesus seyde tot haer, Ghy sult in desen nacht alle aen my ge-ergert worden: Want daer is geschreven, Ick sal den herder slaen, ende de schapen sullen verstroyt worden.
Petrus gewaarschuwd
27 En
(sluit) [14:27] Matt 26:31. Joh 16:32.
Jezus zeide tot hen: Gij zult in dezen nacht allen aan Mij geërgerd worden; want er is geschreven: Ik
(sluit) [14:27] Zach 13:7.
zal den Herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden.
27 En Jezus zeide tot hen: Gij zult allen aanstoot aan Mij nemen, want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden.
28 Maer na dat ick sal opgestaen zijn, sal ick u voorgaen na Galileen.
28 Maar
(sluit) [14:28] Matt 26:32; 28:10. Mark 16:7.
nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galiléa.
28 Maar nadat Ik zal opgewekt zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
29 Ende Petrus seyde tot hem, Of sy oock alle ge-ergert wierden, so en sal ick doch niet [ge-ergert worden].
29 En Petrus zeide tot Hem: Of zij ook allen geërgerd werden, zo zal ik toch niet geërgerd worden.
29 En Petrus zeide tot Hem: Al zouden allen aanstoot aan U nemen, ik zeker niet!
30 Ende Iesus seyde tot hem, Voorwaer ick segge u, dat heden in desen nacht, eer de haen tweemael gecrayt sal hebben, ghy my driemael sult verloochenen.
30 En
(sluit) [14:30] Matt 26:34. Luk 22:34. Joh 13:38.
Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat heden in dezen nacht, eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, gij Mij driemaal zult verloochenen.
30 En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, heden, in deze nacht, voordat de haan tweemaal kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen.
31 Maer hy seyde noch dies te meer, Al moeste ick met u sterven, so en sal ick u geensins verloochenen. Ende insgelijcks seyden sy oock alle.
31 Maar
(sluit) [14:31] Joh 13:37.
hij zeide nog des te meer: Al moest ik met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen. En insgelijks zeiden zij ook allen.
31 Hij zeide steeds heftiger: Al moest ik met U sterven, ik zal U voorzeker niet verloochenen. Evenzo spraken zij ook allen.
32 Ende sy quamen in een plaetse, welcker name was Gethsemane, ende hy seyde tot sijne Discipelen, Sit hier neder tot dat ick gebeden sal hebben.
Gethsémané
32 En
(sluit) [14:32] Matt 26:36. Luk 22:39. Joh 18:1.
zij kwamen in een plaats, welker naam was Gethsémané, en Hij zeide tot Zijn discipelen: Zit hier neder, totdat Ik gebeden zal hebben.
Getsemane
32 En zij gingen naar een plaats, genaamd Getsemane, en Hij zeide tot zijn discipelen: Zet u hier neder, terwijl Ik bid.
33 Ende hy nam met hem Petrum, ende Iacobum, ende Ioannem, ende begon verbaest ende zeer beangst te worden.
33 En Hij nam met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en begon verbaasd en zeer beangst te worden;
33 En Hij nam Petrus en Jakobus en Johannes mede. En Hij begon zeer ontsteld en beangst te worden,
34 Ende seyde tot haer, Mijn ziele is geheel bedroeft tot der doot toe: Blijft hier ende waeckt.
34 En zeide tot hen: Mijn
(sluit) [14:34] Joh 12:27.
ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier, en waakt.
34 en Hij zeide tot hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt.
35 Ende een weynich voortgegaen zijnde viel hy op de aerde, ende badt, so het mogelick ware, dat die uyre van hem voor by ginge.
35 En
(sluit) [14:35] Luk 22:41.
een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op de aarde, en bad, zo het mogelijk ware, dat die ure van Hem voorbijginge.
35 En Hij ging een weinig verder, en Hij wierp Zich ter aarde en bad, dat, indien het mogelijk ware, die ure aan Hem zou voorbijgaan,
36 Ende hy seyde, Abba, Vader, alle dingen zijn u mogelick: Neemt desen drinckbeker van my wech: Doch niet wat ick wil, maer wat ghy [wilt].
36 En Hij zeide: Abba, Vader! alle dingen zijn U mogelijk; neem dezen drinkbeker van Mij weg, doch
(sluit) [14:36] Joh 6:38.
niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt.
36 en Hij zeide: Abba, Vader, alles is U mogelijk, neem deze beker van Mij weg. Doch niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt.
37 Ende hy quam ende vant haer slapende, ende seyde tot Petrum, Simon slaept ghy? En condt ghy niet een uyre waecken?
37 En
(sluit) [14:37] Matt 26:40. Luk 22:45.
Hij kwam, en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Simon! slaapt gij? Kunt gij niet één uur waken?
37 En Hij kwam en vond hen slapende, en Hij zeide tot Petrus: Simon, slaapt gij? Waart gij niet bij machte één uur te waken?
38 Waecket ende biddet, op dat ghy niet in versoeckinge en comt: De geest [is] wel gewillich, maer ’t vleesch is swack.
38 Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de
(sluit) [14:38] Gal 5:17.
geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
38 Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
39 Ende wederom henen gegaen zijnde, badt hy, sprekende de selve woorden.
39 En wederom heengegaan zijnde, bad Hij, sprekende dezelfde woorden.
39 En wederom ging Hij heen en bad, dezelfde woorden sprekende.
40 Ende wedergekeert zijnde vondt hyse wederom slapende: want hare oogen waren beswaert, ende sy en wisten niet wat sy hem antwoorden souden.
40 En wedergekeerd zijnde, vond Hij hen wederom slapende, want hun ogen waren bezwaard; en zij wisten niet, wat zij Hem antwoorden zouden.
40 En toen Hij terugkwam, vond Hij hen slapende, want hun ogen waren zeer bezwaard; en zij wisten niet, wat zij Hem zouden antwoorden.
41 Ende hy quam ten derdenmael, ende seyde tot haer, Slaept [nu] voorts ende rust. Het is genoegh: de uyre is gecomen. Siet de Sone des menschen wort overgelevert inde handen der sondaren.
41 En Hij kwam ten derden male, en zeide tot hen: Slaapt nu voort, en rust; het is genoeg, de ure is gekomen; ziet, de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der zondaren.
41 En Hij kwam ten derden male en zeide tot hen: Slaapt nu maar en rust. Het is genoeg. De ure is gekomen, zie, de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der zondaren.
42 Staet op, laet ons gaen: Siet die my verraet is na by.
42 Staat op, laat ons gaan; ziet, die Mij verraadt, is nabij.
42 Staat op, laten wij gaan. Zie, die Mij overlevert, is nabij.
43 Ende terstont als hy noch sprack, quam Iudas aen, die een was vande twaelve, ende met hem een groote schare met sweerden ende stocken, [gesonden] van de Overpriesters, ende de Schriftgeleerde, ende de Ouderlingen.
Gevangenneming van Jezus
43 En
(sluit) [14:43] Matt 26:47. Luk 22:47. Joh 18:3.
terstond, als Hij nog sprak, kwam Judas aan, die een was van de twaalven, en met hem een grote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters, en de schriftgeleerden, en de ouderlingen.
De gevangenneming
43 En terstond, terwijl Hij nog sprak, daar kwam Judas aan, één van de twaalven, en met hem een schare met zwaarden en stokken, gezonden vanwege de overpriesters en de schriftgeleerden en de oudsten.
44 Ende die hem verriet, hadde haer een gemeyn teecken gegeven, seggende, Dien ick cussen sal, die is ’t, grijpt hem, ende leydt hem seeckerlick henen.
44 En die Hem verried, had hun een gemeen teken gegeven, zeggende: Dien ik kussen zal, Die is het, grijpt Hem, en leidt Hem zekerlijk henen.
44 En die Hem overleverde, had hun een afgesproken teken gegeven, zeggende: Die ik zal kussen, die is het; grijpt Hem en leidt Hem welverzekerd weg.
45 Ende als hy gekomen was, ginck hy terstont tot hem, ende seyde, Rabbi, Rabbi: ende kuste hem.
45 En als hij gekomen was, ging hij terstond tot Hem, en zeide: Rabbi, Rabbi, en kuste
(sluit) [14:45] 2 Sam 20:9.
Hem.
45 En hij kwam en trad terstond op Hem toe en zeide: Rabbi, en kuste Hem.
46 Ende sy sloegen hare handen aen hem, ende grepen hem.
46 En zij sloegen hun handen aan Hem, en grepen Hem.
46 En zij sloegen de handen aan Hem en grepen Hem.
47 Ende een der gene, die daer by stonden, het sweert treckende, sloegh den dienstknecht des Hoogen-priesters, ende hieuw hem sijne oore af.
47 En een dergenen, die daarbij stonden, het zwaard trekkende, sloeg den dienstknecht des hogepriesters, en hieuw hem zijn oor af.
47 Een van de omstanders trok zijn zwaard en hij trof de slaaf van de hogepriester en sloeg hem het oor af.
48 Ende Iesus antwoordende seyde tot haer, Zijt ghy uytgegaen met sweerden ende stocken als tegen eenen moordenaer om my te vangen?
48 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Zijt gij uitgegaan, met zwaarden en stokken, als tegen een moordenaar, om Mij te vangen?
48 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Als tegen een rover zijt gij uitgetrokken met zwaarden en stokken, om Mij gevangen te nemen?
49 Dagelijcks was ick by u lieden in den Tempel leerende, ende ghy en hebt my niet gegrepen: maer [dit geschiet] op dat de Schriften vervult souden worden.
49 Dagelijks was Ik bij ulieden in den tempel, lerende, en gij hebt Mij niet gegrepen; maar dit geschiedt, opdat
(sluit) [14:49] Ps 22:7; 69:10. Luk 24:25.
de Schriften vervuld zouden worden.
49 Dagelijks was Ik bij u, lerende in de tempel, maar gij hebt Mij niet gegrepen; doch de Schriften moeten in vervulling gaan.
50 Ende sy hem verlatende zijn alle gevloden.
50 En
(sluit) [14:50] Job 19:13. Ps 88:9.
zij, Hem verlatende, zijn allen gevloden.
50 En zij lieten Hem alleen en vluchtten allen.
51 Ende een seker jongelinck volghde hem, hebbende een lijnwaet omgedaen over het naeckte [lijf], ende de jongelingen grepen hem.
51 En een zeker jongeling volgde Hem, hebbende een lijnwaad omgedaan over het naakte lijf, en de jongelingen grepen hem.
51 En een jonge man, die een laken om het naakte lichaam geslagen had, liep mede, Hem achterna, en zij grepen hem.
52 Ende hy het lijnwaet verlatende is naeckt van haer gevloden.
52 En hij, het lijnwaad verlatende, is naakt van hen gevloden.
52 Maar hij liet het laken in hun handen en nam naakt de vlucht.
53 Ende sy leyden Iesum henen tot den Hoogenpriester: ende by hem vergaderden alle de Overpriesters, ende de Ouderlingen, ende de Schriftgeleerde.
Jezus voor het Sanhedrin
53 En
(sluit) [14:53] Matt 26:57. Luk 22:54. Joh 18:13, 24.
zij leidden Jezus henen tot den hogepriester; en bij hem vergaderden al de overpriesters, en de ouderlingen, en de schriftgeleerden.
Voor de Raad
53 En zij leidden Jezus weg naar de hogepriester, en al de overpriesters en oudsten en schriftgeleerden kwamen bijeen.
54 Ende Petrus volghde hem van verre, tot binnen inde zale des Hoogenpriesters, ende hy was mede sittende met de dienaren, ende hem warmende by het vyer.
54 En Petrus volgde Hem van verre, tot binnen in de zaal des hogepriesters, en hij was mede zittende met de dienaren, en zich warmende bij het vuur.
54 En Petrus volgde Hem van verre tot binnen de hof van de hogepriester en hij zat daar tussen de dienaars, zich warmende bij het vuur.
55 Ende de Overpriesters ende de geheele Raedt sochten getuygenisse tegen Iesum, om hem te dooden, ende en vonden niet.
55 En
(sluit) [14:55] Matt 26:59. Hand 6:13.
de overpriesters, en de gehele raad, zochten getuigenis tegen Jezus, om Hem te doden, en vonden niet.
55 De overpriesters nu en de gehele Raad trachtten een getuigenverklaring tegen Jezus te vinden om Hem ter dood te kunnen brengen; maar zij vonden er geen.
56 Want vele getuyghden valschelick tegen hem, ende de getuygenissen en waren niet eenparich.
56 Want velen getuigden valselijk tegen Hem, en de getuigenissen waren niet eenparig.
56 Want velen legden een vals getuigenis tegen Hem af, maar hun getuigenissen stemden niet overeen.
57 Ende eenige opstaende getuyghden valschelick tegen hem, seggende,
57 En enigen, opstaande, getuigden valselijk tegen Hem, zeggende:
57 En er stonden enigen op, die een vals getuigenis tegen Hem aflegden,
58 Wy hebben hem hooren seggen, Ick sal desen Tempel, die met handen gemaeckt is, afbreken, ende in drie dagen eenen anderen sonder handen gemaeckt, bouwen.
58 Wij hebben Hem horen zeggen: Ik
(sluit) [14:58] Mark 15:29. Joh 2:19.
zal dezen tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen een anderen, zonder handen gemaakt, bouwen.
58 zeggende: Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en binnen drie dagen een andere, niet met handen gemaakt, bouwen.
59 Ende oock alsoo en was haer getuygenisse niet eenparigh.
59 En ook alzo was hun getuigenis niet eenparig.
59 Maar ook zó stemde hun getuigenis niet overeen.
60 Ende de Hoogepriester in ’t midden opstaende vraeghde Iesum, seggende, En antwoort ghy niets? Wat getuygen dese tegen u?
60 En
(sluit) [14:60] Matt 26:62.
de hogepriester, in het midden opstaande, vraagde Jezus, zeggende: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?
60 En de hogepriester stond op en hij trad naar voren en ondervroeg Jezus en zeide: Geeft Gij niets ten antwoord? Wat getuigen dezen tegen U?
61 Maer hy sweech stille ende en antwoordde niets. Wederom vraeghde hem de Hoogepriester, ende seyde tot hem, Zijt ghy de Christus, de Sone des gesegenden [Godts]?
61 Maar
(sluit) [14:61] Jes 53:7. Hand 8:32.
Hij zweeg stil, en antwoordde niets. Wederom vraagde Hem de hogepriester, en zeide tot Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon des gezegenden Gods?
61 Maar Hij bleef zwijgen en gaf niets ten antwoord. Wederom ondervroeg de hogepriester Hem en zeide tot Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?
62 Ende Iesus seyde, Ick ben’t: Ende ghy lieden sult den Sone des menschen sien sitten ter rechter-[hant] der kracht [Godts], ende komen met de wolcken des hemels.
62 En Jezus zeide: Ik ben het. En
(sluit) [14:62] Dan 7:13. Matt 16:27; 24:30; 25:31. Luk 21:27. Hand 1:11. 1 Thess 4:16. 2 Thess 1:10. Openb 1:7.
gijlieden zult den Zoon des mensen zien zitten ter rechterhand der kracht Gods, en komen met de wolken des hemels.
62 En Jezus zeide: Ik ben het, en gij zult de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende met de wolken des hemels.
63 Ende de Hoogepriester verscheurende sijne kleederen, seyde, Wat hebben wy noch getuygen van nooden?
63 En de hogepriester, verscheurende zijn klederen, zeide: Wat hebben wij nog getuigen van node?
63 De hogepriester scheurde zijn klederen en zeide: Waartoe hebben wij nog getuigen nodig?
64 Ghy hebt de [Godts-]lasteringe gehoort: wat dunckt u lieden? Ende sy alle veroordeelden hem des doots schuldich te zijn.
64 Gij hebt de godslastering gehoord; wat dunkt ulieden? En zij allen veroordeelden Hem, des doods schuldig te zijn.
64 Gij hebt de godslastering gehoord: wat is uw oordeel? En zij allen veroordeelden Hem als des doods schuldig.
65 Ende sommige begonden hem te bespouwen, ende sijn aengesicht te bedecken, ende met vuysten te slaen, ende tot hem te seggen, Propheteert: ende de dienaers gaven hem kinnebackslagen.
Note:
Biblija.net applies a limit to the amount of text from this Bible version that is displayed at once. The requested passage exceeds this limit, and therefore the passage is not displayed completely. You can view the remaining part of the passage by using one or more adapted lookup requests.
65 En sommigen begonnen Hem te bespuwen en zijn gelaat te bedekken en Hem met vuisten te slaan en tot Hem te zeggen: Profeteer nu! En de dienaars sloegen Hem in het gelaat.
66 Ende als Petrus beneden in de zale was, quam eene van de dienstmaeghden des Hoogenpriesters,
Jezus door Petrus verloochend
66 En terwijl Petrus beneden in de hof was, kwam daar een der slavinnen van de hogepriester.
67 Ende siende Petrum hem warmende, sach sy hem aen, ende seyde, Oock ghy waert met Iesu den Nazarener.
67 En toen zij Petrus zag, terwijl hij zich warmde, keek zij hem aan en zeide tot hem: Ook gij waart bij die Nazarener, bij Jezus!
68 Maer hy heeft het geloochent, seggende, Ick en kenne [hem] niet, noch ick en weet niet wat ghy seght. Ende hy ginck buyten in de voor-zale, ende de haen kraeyde.
68 Maar hij loochende het en zeide: Ik weet niet en begrijp niet, wat gij zegt. En hij ging naar buiten, naar het voorportaal.
69 Ende de dienstmaeght hem wederom siende begon te seggen, tot de gene die daer by stonden, Dese is een van die.
69 En toen de slavin hem in het oog kreeg, begon zij opnieuw tot de omstanders te zeggen: Die man behoort tot hen.
70 Maer hy loochende het wederom. Ende een weynigh daer na die daer by stonden seyden wederom tot Petrum, Waerlick ghy zijt een van die: want ghy zijt oock een Galileer, ende uwe sprake gelijckt.
70 Maar hij loochende het wederom. En even later zeiden de omstanders weer tot Petrus: Inderdaad, gij behoort tot hen; want gij zijt ook een Galileeër.
71 Ende hy begon [hem selven] te vervloecken ende te sweeren, Ick en kenne desen mensche niet, dien ghy segget.
71 Maar hij begon zich te vervloeken en te zweren: Ik ken die mens niet, over wie gij spreekt.
72 Ende de haen kraeyde de tweedemael, ende Petrus wiert indachtigh des woorts, ’t welck Iesus tot hem geseght hadde, Eer de haen tweemael gekraeyt sal hebben, sult ghy my driemael verloochenen. Ende hy [hem] van daer makende, weende.
72 En terstond kraaide de haan voor de tweede maal. En Petrus herinnerde zich het woord, dat Jezus tot hem gesproken had: Eer de haan tweemaal gekraaid heeft, zult gij Mij driemaal verloochenen. En hij begon te wenen.

Uit: Statenvertaling, editie 1637
© (transcriptie) 2008 Nicoline van der Sijs
 
© 1951 Nederlands Bijbelgenootschap (Netherlands Bible Society)



Feedback ]


Last update of the program: 12-17-2009
visitor stats